Home

Gerechtshof Amsterdam, 01-11-2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2892, 22/02458

Gerechtshof Amsterdam, 01-11-2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2892, 22/02458

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
1 november 2023
Datum publicatie
29 november 2023
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2023:2892
Formele relaties
Zaaknummer
22/02458
Relevante informatie
Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 228a Gemw, Art. 15.33 WMB

Inhoudsindicatie

Verordening rioolheffing en verordening afvalstoffenheffing. WOZ-waarde woning.

Uitspraak

kenmerk 22/02458

1 november 2023

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. R.M. Vermeulen)

tegen de uitspraak van 10 oktober 2022 in de zaak met kenmerk HAA 21/2419 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [plaats A] , de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 28 februari 2020 de WOZ-waarde van de onroerende zaak [A-straat] te [Z] (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 2.819.000. Tegelijk zijn een aanslag onroerendezaakbelasting, een aanslag afvalstoffenheffing en twee aanslagen rioolheffing voor het jaar 2020 aan belanghebbende bekendgemaakt.

1.2.

De heffingsambtenaar heeft het bezwaar tegen de aanslagen ongegrond verklaard.

1.3.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 10 oktober 2022 als volgt beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):

“De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van schade aan eiser tot een bedrag van € 1000;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser van € 379,50;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49 aan eiser te vergoeden.”

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 16 november 2022. De heffingsambtenaar heeft geen verweerschrift ingediend.

1.5.

Bij brief van 28 mei 2023 heeft belanghebbende nadere stukken gezonden aan het Hof en tevens verzocht om verdaging. Een afschrift van deze stukken is aan de heffingsambtenaar gezonden. Het Hof heeft het verzoek om verdaging 2 juni 2023 afgewezen.

1.6.

Bij het Hof zijn 9 juni 2023 nadere stukken van belanghebbende ingekomen. Een afschrift van deze stukken is aan de heffingsambtenaar gezonden.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2023. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:

“1. Eiser[es] is eigenaar van de woning. Het is een vrijstaande woning uit 1949 met twee dakkapellen, een tuinhuis/blokhut, twee garages, een kelder, een kantoor en een paardenstal. De inhoud van de woning is ca 1.500 m3 (inclusief aanbouw van 300 m3 en een dakkapel van 15 m3). De bij de woning behorende grond is circa 6.040 m2.

2. De aanslagen rioolheffing zijn gebaseerd op de ‘Verordening Rioolheffing [plaats A] 2020’ (hierna: Verordening rioolheffing). De aanslag afvalstoffenheffing is gebaseerd op de ‘Verordening Afvalstoffenheffing [plaats A] 2020’ (hierna: Verordening afvalstoffenheffing).”

2.2.

Het Hof gaat uit van de hiervoor vermelde feiten.

3 Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is in geschil of de waarde van de woning te hoog is vastgesteld. Tevens is de verbindendheid van de Verordening Rioolheffing [plaats A] 2020 (hierna: de Verordening rioolheffing) en de Verordening Afvalstoffenheffing [plaats A] 2020 (hierna: de Verordening afvalstoffenheffing) in geschil.

4 Het oordeel van de rechtbank

5 Beoordeling van het geschil in hoger beroep

6 Proceskosten

7 Beslissing