Home

Gerechtshof Amsterdam, 30-04-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1166, 200.324.407/01

Gerechtshof Amsterdam, 30-04-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1166, 200.324.407/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30 april 2024
Datum publicatie
30 juli 2024
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2024:1166
Zaaknummer
200.324.407/01

Inhoudsindicatie

conservatoir bewijsbeslag ten laste van advocaat die heeft bemiddeld in geschil tussen zakenpartners; inzage deels toegewezen, opheffing afgewezen.

Uitspraak

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.324.407/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/727840 / KG ZA 23-14

arrest in kort geding van de meervoudige burgerlijke kamer van 30 april 2024

in de zaak van

[appellant 1] ,

wonende te [woonplaats] , Zwitserland,

[appellante 2] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellanten,

tevens incidenteel geïntimeerden,

advocaat: mr. E.E.U. Vroom te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te Rotterdam,

geïntimeerde,

tevens incidenteel appellant,

advocaat: mr. M. Ynzonides te Amsterdam.

Partijen worden hierna [appellant 1] en [appellante 2] (gezamenlijk: in mannelijk enkelvoud [appellanten] ) en [geïntimeerde] genoemd.

1 De zaak in het kort

[appellanten] heeft bewijsbeslag gelegd ten laste van [geïntimeerde] , een advocaat die als bemiddelaar heeft opgetreden in een geschil tussen [appellanten] en een zakenpartner. [appellanten] vordert inzage in de beslagen bescheiden. [geïntimeerde] vordert opheffing.

2 Het geding in hoger beroep

[appellant 1] en [appellante 2] zijn bij dagvaarding van 13 maart 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 14 februari 2023 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant 1] en [appellante 2] als eisers in conventie, tevens verweerders in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie.

De appeldagvaarding bevat de grieven tegen het bestreden vonnis, met producties 53 t/m 55. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties 19 t/m 30;

- memorie van antwoord in incidenteel appel;

- akte overlegging producties van [geïntimeerde] , met producties 31 t/m 40;

- akte overlegging nadere producties van [appellanten] , met producties 56 t/m 58.

Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 15 maart 2024 laten toelichten door hun advocaten, aan de hand van overlegde spreekaantekeningen. [appellanten] door mr. Vroom, mr. I. Koudstaal en mr. M.E. Rosing, en [geïntimeerde] door mr. Ynzonides en mr. M.H. de Boer.

Ten slotte is arrest gevraagd.

3 Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

3.1.

[appellant 1] is ondernemer. [appellante 2] is een persoonlijke investerings-vennootschap van [appellant 1] .

3.2.

[geïntimeerde] is advocaat. In het verleden heeft hij als advocaat opgetreden voor zowel [appellant 1] als [naam] (hierna: [naam] ).

3.3.

In april 2015 heeft [geïntimeerde] [appellant 1] en [naam] met elkaar in contact gebracht. In de periode van juni 2015 en tot en met december 2016 heeft [appellanten] een bedrag van € 75.350.000,- geleend aan [naam] , bestemd voor de aankoop en exploitatie van een aantal steengroeven in Iran. Ten tijde van het verstrekken van de eerste lening op 17 juni 2015 (ter hoogte van € 10.000.000,-) is door [appellant 1] en [naam] een letter of intent getekend. Hieruit volgt kort gezegd dat zou worden gekozen voor een joint venture-structuur: [appellant 1] zou een belang van 50% verwerven in de onderneming die [naam] in Iran zou oprichten.

3.4.

In 2016, toen van het onder 3.3 genoemde bedrag reeds € 65.350.000,- aan [naam] ter beschikking was gesteld, konden [appellant 1] en [naam] het niet eens worden over de uitwerking van de joint venture-structuur. [geïntimeerde] heeft toen bemiddeld tussen [appellant 1] en [naam] met als doel de samenwerking tussen hen te formaliseren. Onder begeleiding van [geïntimeerde] is onderhandeld over een samenwerkingsovereenkomst. In die onderhandelingen is tevens afgesproken dat [appellant 1] aanvullend € 10.850.000,- (€ 10.000.000,- als investering en € 850.000,- als werkkapitaal) aan [naam] zou verstrekken. In december 2016 heeft [appellant 1] het bedrag van € 10.850.000,- overgemaakt naar de derdengeldrekening van [geïntimeerde] , ten behoeve van [naam] . Vanaf die derdengeldrekening heeft [geïntimeerde] het bedrag overgemaakt naar Corporate Real Estate B.V., een vennootschap van [naam] .

3.5.

In de eerste helft van 2017 bleek dat [appellant 1] en [naam] het niet eens konden worden over de (uitwerking van de) samenwerkingsovereenkomst. [naam] wilde op dat moment de samenwerking met [appellant 1] niet voortzetten.

3.6.

Op 11 november 2017 heeft [appellanten] bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam een kort geding aanhangig gemaakt tegen [naam] . De vorderingen richtten zich op nakoming van door [appellanten] gestelde afspraken. Bij vonnis van 29 november 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:8885) zijn die vorderingen afgewezen, kort gezegd, omdat de voorzieningenrechter van oordeel was dat de afspraken waarvan [appellanten] nakoming vorderde onvoldoende concreet waren.

3.7.

Na het vonnis van 29 november 2017 heeft [geïntimeerde] wederom bemiddeld tussen [appellanten] en [naam] om zodoende een minnelijke oplossing te bewerkstelligen. Op 12 januari 2018 is, na deze bemiddeling, een (nader uit te werken) vaststellingsovereenkomst gesloten tussen [appellanten] en [naam] (hierna: VSO). Onderdeel hiervan was dat [naam] zijn aandelen in de entiteiten waarin de licenties voor de steengroeven werden gehouden zou overdragen aan een nieuw op te richten vennootschap, waaraan ook de schuld uit hoofde van de leningen van [appellanten] zou worden overgedragen. Daarbij werd ook een door deze vennootschap te volgen aflossingsschema overeengekomen, waarbij onder meer uiterlijk op 30 juni 2020 een bedrag van € 15.000.000,- aan [appellanten] moest worden terugbetaald, bij gebreke waarvan het volledig uitstaande bedrag per direct opeisbaar zou zijn.

3.8.

De FIOD is een strafrechtelijk onderzoek gestart tegen [naam] . In oktober 2018 heeft de FIOD aan [geïntimeerde] vragen gesteld naar aanleiding van betalingen via zijn derdengeldenrekening. Op 20 december 2018 is [appellant 1] in dit onderzoek als getuige gehoord. [naam] wordt (thans) verdacht van verduistering, valsheid in geschrifte en witwassen. De aanvankelijke verdenking van oplichting is komen te vervallen.

3.9.

Op 29 maart 2019 hebben [appellanten] , [naam] en [geïntimeerde] een bemiddelingsovereenkomst gesloten. In die overeenkomst verplicht [geïntimeerde] zich om zich in te spannen om de VSO (zie 3.7) zo spoedig mogelijk uit te werken.

3.10.

Op 19 en 22 juni 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [geïntimeerde] en [appellant 1] . Op 29 juni 2020 heeft [geïntimeerde] aan de advocaten van [appellant 1] en [naam] bericht dat hij zijn opdracht als bemiddelaar beëindigde.

3.11.

In februari 2022 heeft [appellant 1] van de FIOD een gedeelte van het strafdossier van [naam] ontvangen.

3.12.

Op 15 juni 2022 is [appellanten] een bodemprocedure tegen [naam] gestart, waarin hij onder meer de aan [naam] ter beschikking gestelde gelden terugvordert. Volgens de dagvaarding zijn die gelden niet aangewend voor de aankoop en exploitatie van de steengroeven in Iran, maar heeft [naam] de gelden besteed aan de aankoop van onroerende zaken, casinobezoeken, exclusieve horloges, kunstaankopen etc. Volgens [appellant 1] is hij het slachtoffer geworden van een geraffineerde oplichting door [naam] . In de dagvaarding is opgenomen dat [geïntimeerde] een dubbelrol heeft gespeeld bij de totstandkoming van de VSO tussen [appellanten] en [naam] .

3.13.

Bij verzoekschrift van 27 september 2022 (aangepast op 4 oktober 2022) heeft [appellanten] de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam verzocht verlof te verlenen tot het leggen van conservatoir bewijsbeslag ten laste van [geïntimeerde] . Na verwijzing heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag bij beschikking van 7 oktober 2022 het verlof verleend. Op 30 november 2022 is dit bewijsbeslag ten laste van [geïntimeerde] gelegd op kopieën van een aantal, in het proces-verbaal van beslaglegging omschreven, bescheiden.

3.14.

Bij vonnis van 26 juli 2023 van de rechtbank Amsterdam in de bodemprocedure tussen [appellanten] en [naam] (ECLI:NL:RBAMS:2023:4716) heeft de rechtbank de VSO ontbonden en [naam] veroordeeld om aan [appellanten] te betalen een bedrag van in totaal ruim € 75 miljoen in hoofdsom.

4 Eerste aanleg

5 Beoordeling

6 Beslissing