Home

Gerechtshof Amsterdam, 04-06-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1524, 23/771

Gerechtshof Amsterdam, 04-06-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1524, 23/771

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
4 juni 2024
Datum publicatie
5 juni 2024
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2024:1524
Zaaknummer
23/771
Relevante informatie
Art. 17 WOZ, Art. 22 WOZ, Art. 40 WOZ, Art. 7:4 Awb

Inhoudsindicatie

Vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn gematigd tot € 50 per half jaar. WOZ-waarde en verplichting stukken te verstrekken (art. 40 Wet WOZ). Geen vaste aanpassingspercentages gehanteerd bij verschil in KOLDU (KOUDV) factoren en dit is ook niet noodzakelijk. Ten onrechte geen terugbetaling griffierecht beroep. Kostenvergoeding voor hoger beroep gematigd o.g.v. art. 2 lid 2 en lid 3 van het Bpb.

Uitspraak

kenmerk 23/771

4 juni 2024

uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: G. Gieben)

alsmede op het incidenteel hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de gemeente Haarlemmermeer, de heffingsambtenaar,

tegen de uitspraak van 4 juli 2023 in de zaak met kenmerk HAA 22/2868 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 26 februari 2021 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ), de waarde van de onroerende zaak [A-straat] te [Z] (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op € 646.000. In hetzelfde geschrift is ook de aanslag onroerendezaakbelastingen 2021 bekendgemaakt.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar van 22 februari 2022 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en de waarde van de woning gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 4 juli 2023 heeft de rechtbank als volgt beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):

“- de rechtbank verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade van eiseres tot een bedrag van € 500;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 837.”

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2024. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:

“1. Eiseres is genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de woning. De woning is een vrijstaande woning uit 1989. De inhoud van de woning is 462 m³ en de oppervlakte van het perceel is 723 m². De woning is voorzien van een berging en twee garages.”

2.2.

Het Hof gaat uit van de hiervoor vermelde feiten en voegt daar de volgende feiten aan toe.

2.3.

Volgens het door de gemachtigde van belanghebbende gemaakte verslag van de hoorzitting heeft de gemachtigde van belanghebbende verzocht om “de KOUDL factoren bij de taxatiematrix inzichtelijk te maken, gezien belanghebbende aangeeft dat de badkamer en het toilet zijn gedateerd” en om “inzicht in de gehanteerde KOUDV- en liggingsfactoren van de referentiepanden en het onderhavig object”.

2.4.

De heffingsambtenaar heeft in de bezwaarfase een matrix verstrekt waarbij staat aangegeven dat met betrekking tot de KOUDL-factoren (hierna: de KOLDU-factoren, veelal ook de “KOUDV-factoren” genoemd) “alleen afwijkingen ten opzichte van het gemiddelde worden getoond. In het geval van blanco cellen is een gemiddelde factor (3) gehanteerd”. In de matrix zijn de vergelijkingsobjecten en de woning opgenomen.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In het door belanghebbende ingestelde principaal hoger beroep is in geschil of artikel 40 van de Wet WOZ is geschonden en welk gevolg de door haar gestelde onbruikbaarheid en wisseling van de referentieobjecten in de verschillende fasen dient te hebben. Tevens is de vergoeding van het griffierecht in geschil.

3.2.

In het door de heffingsambtenaar ingestelde incidenteel hoger beroep zijn de door de rechtbank toegekende de vergoeding van immateriële schade en de vergoeding van de proceskosten in geschil.

3.3.

De WOZ-waarde van de woning is in hoger beroep niet meer in geschil.

4 Het oordeel van de rechtbank

5 Beoordeling van het geschil in het principaal hoger beroep

6 Beoordeling van het geschil in het incidenteel hoger beroep

7 Kosten

8 Beslissing