Gerechtshof Amsterdam, 18-06-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1663, 23/714
Gerechtshof Amsterdam, 18-06-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1663, 23/714
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 18 juni 2024
- Datum publicatie
- 19 juni 2024
- Zaaknummer
- 23/714
- Relevante informatie
- Art. 40 WOZ, Art. 22 WOZ
Inhoudsindicatie
Artikel 40 Wet WOZ; hoogte IMSV en PKV. IMSV gematigd tot € 50 per half jaar.
Uitspraak
kenmerk 23/714
18 juni 2024
uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] , wonende te [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: G. Gieben)
tegen de uitspraak van 22 juni 2023 in de zaak met kenmerk HAA 22/316 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Heemskerk, de heffingsambtenaar.
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking als bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats] (hierna: de woning) op de waardepeildatum 1 januari 2020 voor het jaar 2021 (hierna ook: de WOZ-waarde) vastgesteld op € 561.000. Tegelijk met deze beschikking is de aanslag onroerendezaakbelastingen (hierna: OZB) voor het jaar 2021 aan belanghebbende bekendgemaakt.
Het daartegen door belanghebbende gemaakte bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De rechtbank heeft in haar uitspraak als volgt op het beroep beslist (waarbij belanghebbende is aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):
“De rechtbank:
- -
-
verklaart het beroep ongegrond;
- -
-
veroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 37,50;
- -
-
veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 12,50;
- -
-
veroordeelt verweerder en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiser, ieder tot een bedrag van (afgerond) € 104,65, en
- -
-
draagt verweerder en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) op het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden, ieder tot een bedrag van € 24,50.”
Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De heffingsambtenaar heeft het Hof toestemming verleend tot het achterwege laten van een onderzoek ter zitting. Het Hof heeft de gemachtigde van belanghebbende bericht dat het Hof overweegt om een zitting achterwege te laten, maar dat belanghebbende tijdig kenbaar kan maken dat hij een zitting wenst. Belanghebbende heeft een dergelijk verzoek niet gedaan. Hierop heeft het Hof het onderzoek gesloten en partijen bij brief van 10 juni 2024 meegedeeld dat binnen zes weken schriftelijk uitspraak zal worden gedaan.
2 Feiten
Het Hof stelt de volgende feiten vast:
Voorafgaand aan het beroep zijn aan belanghebbende de volgende gegevens verstrekt:
- -
-
Op 12 maart 2021 zijn per e-mail door de heffingsambtenaar aan belanghebbende gezonden: het taxatieverslag van de woning, het bijgebouwenmodel en het kavelmodel van de gemeente Heemskerk met waardepeildatum 1 januari 2020;
- -
-
Op 30 juli 2021 heeft een telefonische hoorzitting plaatsgevonden. In het verslag van de hoorzitting staat:
“Grief:
U geeft aan dat er vanuit de gemeente geen goede onderbouwing is.
Antwoord:
De taxateur heeft de taxatie gecontroleerd en is tot de conclusie gekomen dat de woning is onderbouwd met [vergelijkingsobject 1] , verkocht op 23 december 2019 voor
€ 519.000,--, [vergelijkingsobject 2] , verkocht op 11 februari 2020 voor € 570.000,--, en [vergelijkingsobject 3] , verkocht op 28 februari 2020 voor € 525.000,--.”
- Bij de uitspraak op bezwaar met dagtekening 18 november 2021 is een matrix met gegevens van de woning en de bij het hoorgesprek genoemde vergelijkingsobjecten meegezonden.
In het beroepschrift van belanghebbende staat:
“2. [De heffingsambtenaar] heeft in haar uitspraak op bezwaar, geen inzicht gegeven in de waarde van alle objectonderdelen van de gehanteerde referentieobjecten en het onderhavige object. Door het niet inzichtelijk maken van de waarde per object onderdeel is de eindwaarde niet inzichtelijk onderbouw[d]. Zonder inzichtelijkheid en controleerbaarheid van dit soort gegevens dreigt er een ongelijkwaardige procespositie van partijen te ontstaan.”
In de aantekeningen van de zitting bij de rechtbank staat:
“[Belanghebbende]: ik wilde de informatie over de bijgebouwen in bezwaar. Dat mis ik. De informatie in bezwaar.
[Heffingsambtenaar]: dat staat in de matrix. Bij de uitspraak op bezwaar is een matrix aangeleverd met bijgebouwen en inzage in het bijgebouwenmodel. Ik weet niet of daar waardes bijstaan. Met het kavelmodel is dat af te leiden hoe het opgebouwd is.
[Rechter]: dus wat u wil zeggen is dat uit het kavelmodel af te leiden is?
[Heffingsambtenaar]: klopt.
[Belanghebbende]: het gaat mij om de waardering van de vergelijkingsobjecten. Het vergelijkingsobject [vergelijkingsobject 3] die stond er al bij in bezwaar. Ik kan daar niet zien of er gekort is op de grond.
[Rechter]: in bezwaar is ook een matrix aangeleverd.
[Belanghebbende]: in de matrix staat alles netjes. Dan moet ik denk ik de beroepsgrond intrekken. Ik trek de beroepsgrond over de objectonderdelen in.”
3 Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is in geschil of belanghebbende recht heeft op een hogere (proces)kostenvergoeding en een hogere vergoeding van immateriële schade vanwege de overschrijding van de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg.
De WOZ-waarde van de woning is in hoger beroep niet langer in geschil.