Gerechtshof Amsterdam, 06-02-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:241, 200.312.000/01
Gerechtshof Amsterdam, 06-02-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:241, 200.312.000/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 6 februari 2024
- Datum publicatie
- 6 februari 2024
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2024:241
- Formele relaties
- Cassatie: ECLI:NL:HR:2025:796
- Zaaknummer
- 200.312.000/01
Inhoudsindicatie
Letselschade; onrechtmatige daad, artikel 6:162 BW, artikel 149 Rv, onschuldpresumptie.
De stelling van geïntimeerde dat appellant hem in zijn knie heeft gestoken als gevolg waarvan hij letsel heeft bekomen, is door appellant onvoldoende gemotiveerd betwist. Op grond van artikel 149 lid 1 Rv wordt deze stelling als vaststaand aangenomen. Anders dan appellant betoogt, volgt uit het beginsel van de strafrechtelijke onschuldpresumptie niet dat de civielrechtelijke regels van stelplicht en bewijslast niet van toepassing zijn op de partij die tevens verdachte is in een strafzaak, in die zin dat van hem niet zou kunnen worden gevergd dat hij gemotiveerd verweer voert of dat aan het ontbreken daarvan niet de wettelijke gevolgen zouden mogen worden verbonden. Ook wordt zijn stelling verworpen dat van hem niet verwacht kan worden dat hij in de civiele procedure vooruitloopt op strafrechtelijke verweren.
Uitspraak
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.312.000/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/708159/HA ZA 21/890
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 6 februari 2024
inzake
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. A.V. Paardekooper te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. Y. Moszkowicz te Utrecht.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
1 De zaak in het kort
De rechtbank heeft in een civiele procedure de stelling van [geïntimeerde] dat [appellant] hem heeft gestoken in zijn knie wegens onvoldoende betwisting door [appellant] als vaststaand aangenomen, deze gedraging aangemerkt als een onrechtmatige daad en [appellant] veroordeeld tot vergoeding van de schade van [geïntimeerde] , op te maken in een schadestaatprocedure.
Ondertussen was er ook een strafzaak tegen [appellant] gaan lopen. Inmiddels heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam bij vonnis bewezen verklaard dat [appellant] [geïntimeerde] in zijn knie heeft gestoken. [appellant] is op grond van zware mishandeling veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf. Aan [geïntimeerde] als benadeelde partij is € 7.000,00 aan smartengeld toegekend. [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het strafvonnis, zodat dat vonnis nog niet onherroepelijk is.
[appellant] heeft beroep ingesteld tegen het civiele vonnis. Hij voert aan dat niet van hem verwacht mocht worden dat hij in de civiele procedure zou vooruitlopen op strafrechtelijke verweren, omdat hij een ontkennende verdachte is.
Het hof komt tot een bekrachtiging van dat vonnis. Dit oordeel wordt hieronder toegelicht.
2 Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 9 juni 2022 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 juni 2022, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant] als gedaagde (ECLI:RBAMS:2022:3145).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met productie;
- memorie van antwoord, met producties;
- producties 4 t/m 7 van [geïntimeerde] .
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 6 november 2023 laten toelichten. [appellant] door mrs. M.M.N.C. Schellekens, J.E. van Kuijk en M.C. Nass, kantoorgenoten van mr. Paardekooper voornoemd, [geïntimeerde] door mr. Moszkowicz voornoemd, allen aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen. [geïntimeerde] was aanwezig op deze zitting en [appellant] niet.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3 Feiten
De rechtbank heeft in 2.1 tot en met 2.5 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten, komen de feiten neer op het volgende.
[appellant] en [geïntimeerde] zijn familie van elkaar. In de nacht van 24 op 25 juli 2020 waren zij beiden aanwezig op een familiefeest.
[geïntimeerde] heeft zich op 25 juli 2020 gemeld bij de spoedeisende hulp van het Amsterdam UMC met een verwonding aan zijn knie. De artsen hebben een ruptuur van de patellapees geconstateerd.
[geïntimeerde] heeft op 26 november 2020 jegens [appellant] aangifte gedaan van zware mishandeling.
[geïntimeerde] heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland verzocht om verlof om conservatoir beslag te leggen op een onroerende zaak van [appellant] . Dit verlof is op 26 februari 2021 verleend. Vervolgens heeft [geïntimeerde] op 1 maart 2021 beslag gelegd op de onroerende zaak en op 2 maart 2021 de beslaglegging aan [appellant] bekendgemaakt.
[geïntimeerde] staat sinds 2015 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven met een eenmanszaak ‘[bedrijf]’.
Bij vonnis van 19 juni 2023 van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam (ECLI:RBAMS:2023:3746, hierna: het strafvonnis) is [appellant] veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf wegens zware mishandeling van [geïntimeerde] . Daarbij is de door de benadeelde partij [geïntimeerde] ingediende vordering van € 30.000,- aan immateriële schade toegewezen tot een bedrag van € 7.000,- en is [geïntimeerde] voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het strafvonnis.