Gerechtshof Amsterdam, 08-10-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2812, 200.306.957/01
Gerechtshof Amsterdam, 08-10-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2812, 200.306.957/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 8 oktober 2024
- Datum publicatie
- 7 november 2024
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2812
- Zaaknummer
- 200.306.957/01
Inhoudsindicatie
Geschil over het terughoudend beleid van de Ontvanger ten aanzien van reële eigendom van derden en de op dat beleid in de Leidraad Invordering 2008 gemaakte zesde uitzondering in artikel 22.9.2.2 van de Leidraad.
Uitspraak
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.306.957/01
zaaknummer / rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/682442 / HA ZA 20-401
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 8 oktober 2024
inzake
HILCO INDUSTRIAL FINANCE B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante,
advocaat: mr. F.A. van de Wakker te Amsterdam,
tegen
DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST AMSTERDAM,
kantoorhoudende te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. S.C. Zum Vörde Sive Vörding te Amsterdam.
Partijen worden hierna Hilco en de Ontvanger genoemd.
1 De zaak in het kort
Het gaat in deze zaak om een belastingschuld van een machinefabriek die inmiddels failliet is. De vraag is of de Ontvanger zich mag verhalen op (de opbrengst van) machines die in de machinefabriek stonden, op grond van het zogeheten bodemrecht (artikel 22 lid 3 Invorderingswet 1990). Hilco stelt dat zij de reële eigendom had van de machines en dat de Ontvanger zich daarop niet mag verhalen. Hilco verwijst in dit verband naar de Leidraad Invordering 2008, en meer in het bijzonder naar het daarin opgenomen terughoudende beleid ten aanzien van reële eigendom van derden en de op dat beleid in de Leidraad gemaakte uitzonderingen. Het hof oordeelt, net zoals de rechtbank, dat de Ontvanger zich wel mag verhalen op (de opbrengst van) de machines omdat hij een beroep kan doen op de zesde uitzondering van (nu) artikel 22.9.2.2 van de Leidraad.
2 Het geding in hoger beroep
Hilco is bij dagvaarding van 9 februari 2022 in hoger beroep gekomen van het eindvonnis van 10 november 2021 (hierna: het eindvonnis) van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen Hilco als eiseres en de Ontvanger als gedaagde.
Bij arrest van 15 maart 2022 heeft het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast. De mondelinge behandeling heeft op 30 mei 2022 plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.
Partijen hebben na de appeldagvaarding de volgende stukken ingediend:
- akte overlegging productie, met productie 27, van Hilco;
- memorie van grieven, met producties 28 en 29, waarbij ook is opgekomen tegen het tussenvonnis van 14 juli 2021 van de rechtbank Amsterdam, gepubliceerd onder ECLI:NL:RBAMS:2021:3827 (hierna: het tussenvonnis);
- memorie van antwoord, met producties 10 en 11;
- akte uitlaten nadere stellingen Belastingdienst, met producties 28 tot en met 43, van Hilco;
- antwoordakte van de Ontvanger;
- akte overlegging nadere producties tevens houdende getuigenaanbod, met producties 46 en 47, van Hilco.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 9 januari 2024 laten toelichten. Hilco door haar advocaat aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen en de Ontvanger door mr. E.E. Schipper, advocaat te Amsterdam. Hilco heeft bij die gelegenheid nog producties 46 en 47 in het geding gebracht.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3 Feiten
De rechtbank heeft in 2.1 tot en met 2.13 van het tussenvonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Grief 1 van Hilco is gericht tegen deze vaststelling. Volgens Hilco heeft de rechtbank verzuimd bepaalde feiten in het vonnis op te nemen. Het hof houdt met deze grief hierna bij de opsomming van de vaststaande feiten rekening. Omdat deze grief niet tot een andere beslissing kan leiden, heeft Hilco geen belang bij deze grief en faalt de grief.
Verder is in hoger beroep niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Samengevat en waar nodig aangevuld, komen de feiten neer op het volgende.
Hilco maakt onderdeel uit van een concern dat zich richt op de aankoop, verkoop,
verhuur en financiering van bedrijfsinrichtingen zoals industriële machines en machineparken.
Machinefabriek Amersfoort B.V. (hierna: MFA) legde zich tot haar faillissement toe op de vervaardiging van hydraulische apparatuur en op het vervaardigen van op maat gemaakte producten van metaal.
Met het oog op het sluiten van een sale and lease back-overeenkomst met MFA ten
aanzien van de machines van MFA heeft Hilco in 2018 onderzoek laten
doen naar de financiën en inventaris van MFA. Twee machines – een slijpbank en een draaibank – waren gefinancierd met een lening van ABN AMRO Bank N.V. en verpand aan ABN AMRO Asset Based Finance N.V. (hierna ook wel: de AAL-machines).
Het Nederlands Taxatie- en Advies Bureau (hierna: NTAB) waardeerde de
liquidatiewaarde van de machines en toebehoren van MFA in een taxatierapport van 9
februari 2018 op € 3.911.550.
Bij brief van 18 mei 2018 heeft MFA aan de Ontvanger mededeling gedaan conform artikel 22bis Invorderingswet 1990 (hierna: Iw). De brief luidt, voor zover hier van belang:
“Bijgevoegd treft u onze mededeling aan dat wij voornemens zijn om een financiering via een sale-and-leaseback te regelen voor een deel van onze machines. (...)”.
De Ontvanger heeft op deze mededeling niet gereageerd.
Op 12 juli 2018 hebben Hilco en MFA de sale and lease back-overeenkomst
met betrekking tot de machines gesloten. De overeenkomst hield, voor zover hier van belang, samengevat, het volgende in:
- Hilco betaalt een koopprijs van € 4 miljoen exclusief btw voor de machines,
- de looptijd van de overeenkomst is 12 maanden,
- na afloop van de looptijd kan MFA de machines kopen voor € 4 miljoen exclusief btw,
- MFA betaalt voor het gebruik van de machines,
- Hilco is verantwoordelijk voor de verzekering en het onderhoud van de machines.
Op 12 december 2018 heeft de Ontvanger executoriaal beslag op roerende zaken gelegd ten laste van MFA vanwege een openstaande belastingschuld van € 1.038.943 (exclusief rente en kosten). Het proces-verbaal van dit beslag bevat een overzicht van roerende zaken op de bodem van MFA. Onder deze zaken bevinden zich de AAL-machines.
Bij e-mail van 5 maart 2019 heeft Hilco beroep ingesteld tegen het bodembeslag op de machines.
Bij brief van 15 maart 2019 heeft Hilco de overeenkomst met MFA opgezegd vanwege een betalingsachterstand in de leasetermijnen.
Op 25 maart 2019 is MFA failliet verklaard bij vonnis van de rechtbank Midden- Nederland.
Op 9 mei 2019 heeft Hilco een aanvullend beroepschrift ingediend. Op 3 juni 2019 heeft de Directeur van de Belastingdienst het beroep van Hilco tegen het bodembeslag niet ontvankelijk verklaard, omdat het beroep niet tijdig is ingediend. Om die reden is Hilco niet gehoord. De Directeur heeft het beroep wel ambtshalve beoordeeld. Kort gezegd is beslist dat de machines vatbaar zijn voor bodembeslag, omdat de reële eigendom van de machines niet overgegaan is op Hilco en als dat wel het geval zou zijn, er reden is voor de Ontvanger om terughoudend te zijn ten aanzien van de reële eigendom op grond van de zesde uitzonderingsgrond van artikel 22.9.2.2 van de Leidraad Invordering 2008 (hierna: de Leidraad).
De Ontvanger en Hilco hebben afspraken gemaakt over de afwikkeling van hun geschil over het bodembeslag. In dit verband heeft de Ontvanger bij brief van 11 juni 2019 aan Hilco geschreven, voor zover hier van belang:
“Onder de volgende voorwaarden ben ik bereid mijn medewerking te verlenen aan de levering van de machines en het opheffen van het beslag.
- Hilco (...) zal zorgdragen dat een bedrag à € 1.002.671,00 (minus de te vergoeden kosten ad € 9.500 i.v.m. het niet doorgaan van de escrow-overeenkomst) gestort wordt bij de ontvanger;
- Het bedrag van € 993.171,00 zal binnen 14 dagen na verkoop van de machines overgemaakt worden op het volgende rekeningnummer van de Belastingdienst (...);
- Zodra dit bedrag is ontvangen, zal ik schriftelijk bevestigen dat het gelegde beslag (met terugwerkende kracht tot datum verkoop) is opgeheven.
Het bedrag à € 993.171,00 zal door de Belastingdienst in depot gehouden worden tot dat een/de gerechtelijke uitspraak onherroepelijk vaststaat.
Wordt uw cliënt in het gelijk gesteld en staat de gerechtelijke uitspraak onherroepelijk vast, dan zal het bedrag van € 993.171,00 direct overgemaakt worden naar een door uw cliënt aan te geven rekeningnummer. Daarnaast zal de ontvanger de vergoeding inzake het niet doorgaan van de escrow-overeenkomst à € 9.500,00 z.s.m. (maar uiterlijk binnen 6 weken na het onherroepelijk vaststaan van de gerechtelijke uitspraak) overmaken naar een door uw cliënt aan te geven rekeningnummer.
Wordt de ontvanger in het gelijk gesteld en staat de gerechtelijke uitspraak onherroepelijk vast, dan zal de ontvanger overgaan tot afboeken van het bedrag à € 993.171,00. Uw cliënt komt dan niet meer in aanmerking voor een vergoeding van de kosten inzake het niet doorgaan van de escrow-overeenkomst aangezien dit bedrag reeds in mindering is gebracht op het bedrag dat de ontvanger in depot heeft. (...)”
Op 19 juni 2019 heeft Hilco de machines voor € 3.950.000 verkocht aan PWT Group en op 20 juni 2019 heeft zij € 993.171 overgemaakt aan de Ontvanger.