Gerechtshof Amsterdam, 01-10-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2915, 22/2540
Gerechtshof Amsterdam, 01-10-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2915, 22/2540
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 1 oktober 2024
- Datum publicatie
- 30 oktober 2024
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2022:7192, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 22/2540
- Relevante informatie
- Art. 6 EVRM
Inhoudsindicatie
Legesaanslag voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning
Uitspraak
kenmerk 22/2540
1 oktober 2024
uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] B.V., gevestigd te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: ir. S. Boonstra)
tegen de uitspraak van 11 november 2022 in de zaak met kenmerk AMS 18/6815 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [Plaats] , de heffingsambtenaar,
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Minister.
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een legesaanslag van € 147.061,39 opgelegd voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning.
De heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en de aanslag verminderd tot een bedrag van € 132.229,75.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 11 november 2022 heeft de rechtbank als volgt beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘ [X] ’):
“De rechtbank:
⁻ verklaart het beroep ongegrond;
⁻ veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een schadevergoeding aan [X] tot een bedrag van € 854,-;
⁻ veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan [X] tot een bedrag van € 2.646,-;
⁻ draagt de heffingsambtenaar op een griffierecht van € 169,- aan [X] te vergoeden;
⁻ draagt de Staat op een griffierecht van € 169,- aan [X] te vergoeden;
⁻ veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van [X] tot een bedrag van € 474,38;
⁻ veroordeelt de Staat in de proceskosten van [X] tot een bedrag van € 474,38.”
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak pro-forma hoger beroep ingesteld en verzocht om uitstel voor het indienen van gronden.
Het Hof heeft het door belanghebbende verzochte uitstel verleend:
“In het door u ingestelde hoger beroep verzoekt u om uitstel van de gronden.
Ik stel u in de gelegenheid de gronden uiterlijk op 25 januari 2023 in te dienen. Tevens verzoek ik u om stukken waaruit blijkt waar de belanghebbende is gevestigd, en welke natuurlijke perso(o)n(en) namens belanghebbende – een vennootschap, stichting of vereniging – in rechte mogen optreden (KvK uittreksel) over te leggen.
(…)”
Op 9 maart 2023 heeft het Hof, per aangetekende post, belanghebbende opnieuw uitstel verleend voor het indienen van gronden.
Op 8 juni 2023 heeft het Hof belanghebbende voor de derde keer uitstel verleend voor het indienen van gronden. De termijn eindigde op 22 juni 2023.
Belanghebbende heeft het pro-forma hogerberoepschrift niet aangevuld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft geen van beide partijen kenbaar gemaakt een zitting te wensen. Het Hof heeft het onderzoek gesloten.
2 Feiten
Belanghebbende heeft op 23 december 2016 een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend en daarbij een bedrag aan bouwkosten van € 2.360.000 (inclusief geschatte kosten bijbehorend bouwwerk ( € 12,500) en plaatsen erf- of perceelafscheiding (€ 12,155)) opgegeven.
De heffingsambtenaar heeft op 23 mei 2017 de omgevingsvergunning verleend en de verschuldigde leges vastgesteld op € 147.061,39. De heffingsambtenaar is, daarbij uitgegaan van een bedrag van € 5.444.320 aan bouwkosten.
Belanghebbende heeft in bezwaar betoogd dat de bouwkosten op een bedrag van € 3.100.000 (‘de vaste aanneemsom’) dienen te worden vastgesteld. Ter onderbouwing heeft belanghebbende een kostenspecificatie overgelegd.
Op verzoek van de gemeente is door een extern bureau ( [bedrijfsnaam A] , inmiddels opgegaan in [bedrijfsnaam B] ) een rapport uitgebracht “inzake bezwaarschrift grondslag bouwkosten”. In dat rapport wordt weergegeven dat – zakelijk weergegeven – in het bedrag van € 3.100.000 een zestal posten ontbreken en wordt nader geconcludeerd tot een totaalbedrag aan bouwkosten van € 4.895.000. Bij de uitspraak op bezwaar is de aanslag dienovereenkomstig verminderd.
In beroep heeft de heffingsambtenaar een memo overgelegd van [bedrijfsnaam B] waarin wordt geconcludeerd dat de bouwkosten van € 4.895.000 als grondslag voor het berekenen van de leges verhoogd kunnen worden en wordt geadviseerd vorenvermeld bedrag als grondslag te handhaven.
3 Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is de legesaanslag ten bedrage van € 132.165 in geschil. Meer specifiek zijn – naar het Hof begrijpt - de bouwkosten die ten grondslag liggen aan de legesaanslag in geschil.