Gerechtshof Amsterdam, 03-10-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:3362, 23/1197
Gerechtshof Amsterdam, 03-10-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:3362, 23/1197
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 3 oktober 2024
- Datum publicatie
- 11 december 2024
- Zaaknummer
- 23/1197
- Relevante informatie
- Art. 40 WOZ, Art. 8:91 Awb, Art. 8:94 Awb
Inhoudsindicatie
Artikel 40 Wet WOZ, griffierecht beroep
Uitspraak
kenmerk 23/1197
3 oktober 2024
uitspraak van de vijfde enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: [Persoon] )
tegen de uitspraak van 5 september 2023 in de zaak met kenmerk HAA 22/2555 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [Z] , de heffingsambtenaar.
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking de waarde van de onroerende zaak [Straat] in [Z] (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op € 191.000. In hetzelfde geschrift is ook de aanslag onroerendezaakbelastingen 2021 bekendgemaakt.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar het hiertegen gemaakte bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 5 september 2023 heeft de rechtbank als volgt beslist:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de immateriële schade van belanghebbende tot een bedrag van € 416,67, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking van deze uitspraak van de rechtbank;
- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de immateriële schade van belanghebbende tot een bedrag van € 83,33, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking van deze uitspraak van de rechtbank, en
- veroordeelt de heffingsambtenaar en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid in de proceskosten van belanghebbende, ieder tot een bedrag van € 209,25, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking van deze uitspraak van de rechtbank.”
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2024. De heffingsambtenaar heeft ter zitting het door hem ingestelde incidenteel hoger beroep ingetrokken. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2 Feiten
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (belanghebbende wordt in de uitspraak van de rechtbank tevens aangeduid als ‘eiser’):
“1. Eiser is genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de woning. De woning is een twee-onder-één kapwoning. De woning is gebouwd in 1933. De inhoud van de woning is 287 m³ en de oppervlakte van het perceel is 111 m². De woning is voorzien van een berging.”
Het Hof gaat uit van de hiervoor vermelde feiten.
3 Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is in geschil of de heffingsambtenaar in strijd met artikel 40 Wet WOZ heeft gehandeld. Tevens is in geschil of de rechtbank terecht heeft nagelaten de heffingsambtenaar op te dragen het door belanghebbende voor het instellen van beroep betaalde griffierecht aan hem te vergoeden. De WOZ-waarde van de woning is niet meer in geschil.
Belanghebbende heeft zijn klacht over de door de rechtbank gehanteerde wegingsfactor ter bepaling van de hoogte van de proceskostenveroordeling, ingetrokken.