Home

Gerechtshof Amsterdam, 21-01-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:130, 200.307.169/01

Gerechtshof Amsterdam, 21-01-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:130, 200.307.169/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21 januari 2025
Datum publicatie
10 februari 2025
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2025:130
Zaaknummer
200.307.169/01

Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW. Ernstig verwijt. In geval van faillissement moet de verlenging van de verjaringstermijn als bedoeld in artikel 3:321(d) jo. artikel 3:320 BW geacht worden te gaan lopen met ingang van de dag van het faillissement.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.307.169/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/298974/HA ZA 20-71

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 januari 2025

inzake

Ferdinand [appellant]

wonende te [plaats 1] ,

appellant,

advocaat: mr. M.A. Visser te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

In haar hoedanigheid van curator in het faillissement van [bedrijf 1],

kantoorhoudende te [plaats 2] ,

geïntimeerde,

advocaat: voorheen mr. Z. Koscielniak, thans mr. M.A. Nijhuis te Den Haag.

Partijen worden hierna [appellant] en de curator genoemd. [bedrijf 1] wordt [bedrijf 1] genoemd.

1 De zaak in het kort

Deze zaak betreft de vordering van de curator om [appellant] op grond van het bepaalde in artikel 2:9 BW te veroordelen om het boedeltekort in het faillissement te betalen. De rechtbank heeft de vordering toegewezen. Het hof oordeelt evenals de rechtbank dat [appellant] als bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt valt te maken. Hij is zijn eigen gang gegaan – en heeft onder meer betalingen aan aan hem gelieerde vennootschappen verricht – zonder acht te slaan op het belang van [bedrijf 1] bij een te sluiten schuldeisersakkoord waarvoor de instemming van de Belastingdienst cruciaal was.

De curator heeft ook drie bedragen gevorderd die betrekking hebben op door [bedrijf 1] gedane betalingen die voor rekening van [appellant] moeten komen. Met betrekking tot twee van die vorderingen is het beroep van [appellant] op verjaring gegrond. In geval van faillissement moet de verlenging van de verjaringstermijn als bedoeld in artikel 3:321(d) jo. artikel 3:320 BW geacht worden te gaan lopen met ingang van de dag van het faillissement.

2 Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 17 november 2021 in hoger beroep gekomen van een vonnis in verzet van 18 augustus 2021 en het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 20 januari 2021, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer door de rechtbank Noord-Holland gewezen tussen de curator als eiseres en [appellant] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met productie,

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 19 juli 2023 laten toelichten, [appellant] door zijn hiervoor vermelde advocaat en de curator door mr. R. Haouli, kantoorgenoot van mr. Koscielniak voornoemd. De advocaten hebben het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen, die zijn overgelegd. Partijen en hun advocaten hebben vragen beantwoord en inlichtingen verstrekt.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en de vorderingen van de curator alsnog zal afwijzen, met veroordeling van de curator in de kosten van het geding in beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad.

De curator heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de beide vonnissen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep inclusief nakosten en met rente, uitvoerbaar bij voorraad.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

3 Feiten

De rechtbank heeft onder 3. van het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 20 januari 2021 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Daarbij zal het hof onder 3.7 en 3.8 de feiten aanvullen met feiten die eveneens tussen partijen vaststaan. Het gaat om de volgende feiten.

3.1.

Bij vonnis van 5 maart 2019 van de rechtbank Zeeland-West Brabant is [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) failliet verklaard. Mr. [geïntimeerde] is aangesteld als curator in het faillissement.

3.2.

[appellant] is sinds 20 juni 2011 bestuurder van [bedrijf 1] . [naam 1] was van 20 juni 2011 tot 21 december 2016 medebestuurder.

3.3.

Enig aandeelhouder van [bedrijf 1] is [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ). Bestuurder van [bedrijf 2] is [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ). Bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 3] is [appellant] . [bedrijf 3] is enig aandeelhouder van [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] ). [appellant] is bestuurder van [bedrijf 4] . [bedrijf 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 5] (hierna: [bedrijf 5] ).

3.4.

Bij overeenkomst van 17 december 2014 heeft [bedrijf 1] haar activa (bestaande uit: ‘handelsactiviteiten’, ‘goodwill’ en ‘inventaris’) verkocht aan Iton Consultancy B.V. (hierna: de koopovereenkomst). Sinds 19 augustus 2016 is ITON B.V. de rechtsopvolger onder algemene titel van Iton Consultancy B.V. (hierna beide: ITON). In de koopovereenkomst zijn partijen een koopsom overeengekomen van:- een bedrag van € 400.000,-, uiterlijk te betalen op de leveringsdatum;- een bedrag van € 90.000,-, per 1 januari 2016 te betalen;

- een bedrag van € 90.000,-, per 1 januari 2017 te betalen.

In artikel 5.3 van de koopovereenkomst is het volgende bepaald:

Na de Leveringsdatum zal Verkoper de achterblijvende ondernemingen afwikkelen volgens de beginselen van ‘goed koopmanschap’ en zal de reeds ontvangen Koopsom door Verkoper en/of de heren [naam 1] en [appellant] bij voorrang worden ingezet ter afwending van insolventierisico’s.”

3.5.

ITON heeft op 31 december 2014 het bedrag van € 400.000,- van de koopsom aan [bedrijf 1] betaald. De twee betaaltermijnen van elk € 90.000,- heeft ITON niet betaald.

3.6.

Op 1 januari 2015 heeft [bedrijf 1] haar activa overgedragen aan ITON.

3.7.

In de periode van 31 december 2014 tot en met 5 januari 2015 heeft [bedrijf 1] de volgende betalingen gedaan tot een totaalbedrag van € 312.201,08:

Datum

Begunstigde

Bedrag

Omschrijving

31-12-2014

[bedrijf 5]

€ 8.000,-

saldo 140.304

31-12-2014

[bedrijf 2]

€ 100.000,-

RC

31-12-2014

[bedrijf 5]

€ 20.000,-

rc

2-1-2015

[bedrijf 3]

€ 50.000,-

Aflossing

5-1-2015

[bedrijf 2]

€ 130.000,-

RC

5-1-2015

[bedrijf 4]

€ 4.201,08

Saldo 2014-011

Nadien zijn nog meer betalingen aan deze vennootschappen gedaan.

3.8.

Na 31 december 2014 zijn ook betalingen aan [bedrijf 1] gedaan door [bedrijf 2] , [bedrijf 5] , en [bedrijf 3] . Deze betalingen zijn geboekt in de rekening-courant.

3.9.

Op 8 juli 2014 heeft [bedrijf 1] vanaf haar g-rekening een bedrag van € 3.097,50 betaald aan Spuitco Dakbedekking B.V. (hierna: Spuitco) onder vermelding van ‘ [bedrijf 3] ’.

3.10.

Op 24 oktober 2014 heeft [bedrijf 1] een bedrag van € 11.000,- betaald aan [appellant] onder vermelding van ‘voorschot borg nieuw pand’.

3.11.

Op 8 mei 2015 heeft [bedrijf 1] vanaf haar g-rekening een bedrag van € 60.000,- betaald aan Dirmar v.o.f. (hierna: Dirmar) onder vermelding van ‘schikking [bedrijf 3] ’.

3.12.

Blijkens de crediteurenlijst van [bedrijf 1] van 9 april 2015 had [bedrijf 1] , naast andere schulden aan (concurrente) crediteuren, een schuld van € 319.795,- aan de Belastingdienst. De door de Belastingdienst ingediende (preferente) vordering in het faillissement van [bedrijf 1] bedraagt € 392.971,-.

3.13.

Op 8 oktober 2015 hebben [bedrijf 1] en [bedrijf 5] een vaststellingsovereenkomst gesloten met de Belastingdienst. Daarin staat onder meer het volgende:

Omschrijving

[bedrijf 5] . en [bedrijf 1] hebben hun activiteiten gestaakt omdat de vennootschappen feitelijk in staat van insolventie zijn. De bestuurders zijn voornemens de vennootschappen te liquideren nadat de schuldeisers op basis van nog aanwezige activa (debiteuren) met een schuldsanering akkoord gaan. (...)

Inhoud van de overeenkomst

I. Partij A [hof: [bedrijf 1] en [bedrijf 5] ] gaat ervan uit, dat na betaling van enkele kleine dwangcrediteuren de andere (crediteuren) partijen met ongeveer 5,5 procent genoegen zullen nemen.

II. Partij A verwacht op basis van de nog aanwezige activa een zodanig bedrag te kunnen genereren, dat hiervan de aansprakelijkheidstelling van Pareto B.V. van € 43.348,00 betaald kan worden en inzake de fiscale schuld van [bedrijf 5] . en [bedrijf 1] het dubbele van het onder punt I te realiseren percentage. (...).

III. Partij A zal – als alle crediteuren met het voorstel ingestemd hebben – tot ontbinding van [bedrijf 5] . en [bedrijf 1] overgaan.

(...).

Overige bepalingen

Deze overeenkomst komt te vervallen als Partij A niet aan de hierboven genoemde punten kan voldoen c.q. de andere crediteuren niet aan de schuldsanering hun medewerking willen verlenen.

(...)”

3.14.

Op grond van de vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst heeft [bedrijf 1] zich mede verbonden voor de belastingschuld van [bedrijf 5] . De schuld van [bedrijf 5] aan de Belastingdienst betrof een bedrag van ongeveer € 1.000.000,-.

3.15.

Per e-mail van 8 oktober 2015 aan [naam 2] , invorderaar bij de Belastingdienst (hierna: [naam 2] ), heeft [naam 1] het volgende bericht:

Vandaag hebben we (...) de vaststellingovereenkomst getekend. (...). Ik heb op mijn laptop een korte notulen gemaakt en deze deel ik hierbij met u, zie onderstaand:

- Ik heb aangegeven dat [appellant] mij financieel niet heeft kunnen overtuigen dat de vaststellingsovereenkomst nagekomen kan worden

(...)

- U heeft aangegeven dat [appellant] aan u heeft bevestigd dat hij en zijn gelieerde bedrijven niet mee doen met de sanering (Geen aflossingen naar [appellant] of de gelieerde ondernemingen vanaf het moment dat de gesprekken met de fiscus lopen)

(...)

- U heeft aangegeven dat vanaf het moment dat de gesprekken tussen de [appellant] en de fiscus lopen, [appellant] geen recht heeft om gelden naar zich toe te trekken (of zijn gelieerde bedrijven zoals [bedrijf 3] en [bedrijf 4] )

(...)

- U heeft aangegeven dat in de andere vennootschappen van [appellant] gelijksoortige afspraken gemaakt zijn

(...)

- Ik heb aangegeven dat (...) op dit moment alle betalingen gebeuren zonder dat ik daar sturing aan kan geven (ik heb nog nooit een betaling uitgevoerd sinds het bestaan van [bedrijf 1] )

(...)”

3.16.

Bij e-mail van 8 oktober 2015 heeft [naam 2] aan [naam 1] bericht dat hij, behoudens een hier niet ter zake doende correctie, zich in de door [naam 1] gemaakte notulen kan vinden.

3.17.

Op 11 juli 2018 heeft de rechtbank Noord-Holland vonnis gewezen in een procedure tussen [bedrijf 1] (naast [appellant] ) en ITON (ECLI:NL:RBNHO:2018:8776). In die procedure heeft [bedrijf 1] onder meer nakoming gevorderd van de koopovereenkomst van 17 december 2014 (zie 3.4) tot betaling van de twee laatste termijnen van de koopsom van elk € 90.000,- en van diverse betalingen die [bedrijf 1] ten behoeve van ITON aan derden heeft verricht. De rechtbank heeft die vorderingen afgewezen. In het vonnis heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

5.2 Het komt (...) aan op de gegrondheid van de door ITON gestelde tegenvorderingen, waarbij ITON als uitgangspunt hanteert dat partijen zijn overeengekomen dat alle verplichtingen van [bedrijf 1] die voor 1 januari 2015 zijn ontstaan voor rekening van [bedrijf 1] komen. Dit uitgangspunt is door [bedrijf 1] niet betwist. Volgens ITON heeft zij, op basis van dit uitgangspunt, vorderingen op [bedrijf 1] , welke vorderingen in het navolgende zullen worden behandeld.”

Blijkens het vonnis betrof het (tegen)vorderingen van ITON die zien op (1) door de werknemers van [bedrijf 1] in de periode juni tot en met december 2014 opgebouwde en door [bedrijf 1] niet uitbetaalde vakantietoeslag, op (2) onbetaald gebleven pensioenpremies, op (3) zogenoemde strippenkaarten (een systeem waarbij klanten van de onderneming na vooruitbetaling van een bedrag op afroep en zonder verdere betaling aanspraak konden maken op de diensten van de onderneming) en op (4) een huurkoopcontract dat [bedrijf 1] had met Cisco. De rechtbank heeft deze (tegen)vorderingen van ITON gegrond geoordeeld (en de vordering ten aanzien van het huurkoopcontract gedeeltelijk gegrond). De rechtbank heeft vervolgens geconcludeerd dat na verrekening met het door [bedrijf 1] gevorderde bedrag, [bedrijf 1] niets meer van ITON te vorderen heeft (integendeel, de verrekening leidde tot een vordering van ITON op [bedrijf 1] , tot betaling waarvan [bedrijf 1] in reconventie is veroordeeld).

3.18.

[bedrijf 1] heeft tegen het vonnis van de rechtbank van 11 juli 2018 hoger beroep ingesteld. De curator heeft het hoger beroep ingetrokken.

4 Eerste aanleg

5 Beoordeling

6 Beslissing