Home

Gerechtshof Amsterdam, 27-05-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1392, 200.330.661/01

Gerechtshof Amsterdam, 27-05-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1392, 200.330.661/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27 mei 2025
Datum publicatie
2 juni 2025
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2025:1392
Zaaknummer
200.330.661/01

Inhoudsindicatie

Afwikkeling rentederivatendossier. Geen toezegging bank om aanbod tot compensatie te doen alsof het Herstelkader van toepassing was. Daarnaast is het niet aan de civiele rechter om zich uit te laten over inhoud en toepassing van het Herstelkader

Uitspraak

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.330.661/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/722762/HA ZA 22-732

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 mei 2025

in de zaak van

F&F (VASTGOED) B.V.,

gevestigd te Reuver, gemeente Beesel,

appellante,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.L. Ubels te Amsterdam.

Partijen worden hierna F&F en Rabobank genoemd.

1 De zaak in het kort

In 2012 heeft F&F haar bankzaken, waaronder twee rentederivaten, ondergebracht bij Rabobank. F&F meent dat Rabobank haar zorgplicht jegens haar heeft geschonden bij de afwikkeling van het derivatendossier door i) een toezegging tot het doen van een compensatievoorstel alsof het Uniform Herstelkader Rentederivaten MKB (hierna: Herstelkader) van toepassing was, niet na te komen dan wel ii) te oordelen dat F&F niet valt onder het Herstelkader. Zij vordert een verklaring voor recht dat Rabobank bij de afwikkeling van het derivatendossier onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar en dat haar alsnog compensatie wordt geboden.

De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen.

Het hof bekrachtigt dat oordeel. De toezegging van Rabobank hield niet in dat zij een aanbod tot compensatie zou doen alsof het Herstelkader van toepassing was. Daarnaast is het niet aan de civiele rechter om zich uit te laten over de inhoud en toepassing van het Herstelkader. De vorderingen van F&F zijn niet toewijsbaar.

2 Het geding in hoger beroep

F&F is bij dagvaarding van 1 augustus 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 3 mei 2023 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen F&F als eiseres en Rabobank als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven tevens inhoudende een voorwaardelijke incidentele vordering ex artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), met producties;

- memorie van antwoord tevens houdende memorie van antwoord in het voorwaardelijk incident.

Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 21 maart 2025 laten toelichten. F&F door mr. J.M. Blanco Fernández, advocaat te Amsterdam, en Rabobank door mr. Ubels voornoemd en mr. D.E. van Oeveren, advocaat te Amsterdam, allen aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen.

Ten slotte is arrest gevraagd.

F&F heeft in hoger beroep bewijs aangeboden van haar stellingen.

3 Feiten

De rechtbank heeft in 2.1 tot en met 2.15 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Voor zover de feiten in hoger beroep zijn betwist of F&F bij grief I aanvoert dat deze onvolledig zijn weergegeven, heeft het hof daar in het navolgende rekening mee gehouden. De grief vraagt verder aandacht voor feiten die F&F heeft aangevoerd over de, wat zij noemt, overname van de derivaten door Rabobank in 2012 en daarop gebaseerde stellingen van F&F. Het hof komt hier voor zoveel nodig op terug bij de beoordeling van de zaak. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten komen deze neer op het volgende.

3.1.

F&F Europe B.V. (hierna: F&F Europe) heeft in 2008 bij ABN AMRO twee rentederivaten afgesloten. ABN AMRO heeft in 2010 een deel van haar activiteiten overgedragen aan Deutsche Bank als gevolg waarvan de rentederivaten op 12 juli 2010 zijn overgegaan naar Deutsche Bank.

3.2.

In verband met een mogelijke overstap naar (de rechtsvoorganger van) Rabobank, hebben F&F Europe en Rabobank op 25 april 2012 de mogelijkheid besproken om de rentederivaten in te passen in de nieuwe financieringsstructuur. Rabobank heeft bij brief van 3 mei 2012 de drie besproken opties aan F&F Europe bevestigd, te weten 1) afkoop van de lopende swaps tegen de huidige negatieve marktwaarde, 2) overname van de swaps door Rabobank en 3) overname van de swaps door Rabobank met herstructurering daarvan. Ook vermeldt de brief dat F&F Europe had laten weten dat zij bij overname van de swaps deze wilde gebruiken als rentehedge voor de financiering van de Rabobank en de Lage Landen faciliteit.

3.3

F&F Europe heeft in december 2012 haar bankzaken en de twee rentederivaten ondergebracht bij Rabobank, waarbij zij heeft gekozen voor optie 2.

3.4.

F&F Europe heeft haar bankzaken en de rentederivaten in 2015 ondergebracht bij een

Poolse bank.

3.5.

Op 25 juni 2016 hebben (onder meer) F&F Europe en F&F afgesproken dat F&F alle

rechten uit hoofde van of verband houdende met de renteswaps mag uitoefenen (economische eigendom) terwijl de renteswaps op naam van F&F Europe blijven staan.

3.6.

Bij brief van 4 januari 2018 heeft Rabobank F&F Europe bericht dat zij niet in aanmerking komt voor herbeoordeling onder het Herstelkader, omdat zij ten tijde van de overstap in december 2012 naar het oordeel van Rabobank een professionele partij was in de zin van het Herstelkader. Tussen 4 januari 2018 en 21 mei 2019 is tussen F&F (via haar advocaat) en Rabobank meermaals per e-mail contact geweest. Daarin heeft F&F onder meer bezwaar gemaakt tegen het oordeel van Rabobank dat zij een professionele partij was ten tijde van de overstap. Verder probeerde F&F (via haar advocaat) in die correspondentie Rabobank ervan te overtuigen dat zij wel voldeed aan de criteria voor toepassing van het Herstelkader en vroeg Rabobank F&F om extra gegevens en deed zij mededelingen over de voortgang en het proces. Bij brief van 21 mei 2019 heeft Rabobank het bezwaar van F&F afgewezen.

3.7.

Op 26 juni 2019 heeft de advocaat van F&F aan Rabobank in een e-mail onder meer geschreven:

Dank voor de toezending van de stukken. In vervolg op uw e-mail bericht ik u als volgt.

1. Cliënt stelt vast dat Rabobank geen inzage wenst te geven in het rapport van de “externe independent reviewer” waarop u zich beriep (...). Cliënt behoudt zich het recht voor om in rechte inzage te vragen in het stuk. (...)

3. Cliënt heeft mijn vraag aan u over Q&A II.2 bij paragraaf 3.1 van het herstelkader niet als een bezwaar opgevat, maar als een vraag aan Rabobank. Cliënt wacht het antwoord af en behoudt zich het recht voor de hele kwestie aan de rechter voor te leggen.

3.8.

In reactie daarop heeft Rabobank in een e-mail van 16 juli 2019 aan (de advocaat van) F&F meegedeeld dat zij besloten heeft uit coulance een vergoeding aan te bieden voor de rentederivaten. Zij heeft F&F daarover het volgende bericht, voor zover van belang:

Rabobank heeft besloten om F&F (Europe) en haar vertegenwoordiger F&F Vastgoed tegemoet te komen in haar rentederivatendossier.

Rabobank heeft onder meer in haar brief van 21 mei 2018 [2019, toevoeging hof] laten weten dat de renteswaps buiten het bereik vallen van het Uniform Herstelkader Rentederivaten.

De reden is dat F&F Europe ten tijde van het afsluiten bij Rabobank “professioneel” was in de zin van het Herstelkader. Bij het afsluiten van de voorgaande renteswaps bij Deutsche Bank kwalificeerde F&F Europe nog niet als professioneel. Voor de professionaliteit van F&F Europe is de situatie ten tijde van het afsluiten bij Rabobank bepalend, omdat geen sprake was van ongewijzigde voortzetting (novatie) zoals bedoeld in het Herstelkader.

Rabobank blijft bij het eerder medegedeelde besluit onder het Herstelkader.

Gezien de specifieke feiten van dit dossier, heeft Rabobank echter besloten F&F Europe tegemoet te komen. Wij zullen de compensatie berekenen waarin volgens Rabobank het Herstelkader had voorzien, indien dat van toepassing was geweest. Rabobank is voornemens om op basis van die berekening een bedrag aan te bieden, uiteraard op voorwaarde van finale kwijting en vastlegging in een vaststellingsovereenkomst.”

3.9.

In een e-mail van 14 oktober 2019 heeft Rabobank aan (de advocaat van) F&F meegedeeld dat de berekening van het bedrag dat Rabobank als tegemoetkoming wil aanbieden gereed is. Voor zover van belang staat in de e-mail verder onder meer:

Het betreft zoals bekend een tegemoetkoming buiten het Uniform Herstelkader Rentederivaten. Rabobank heeft in een eerder stadium reeds medegedeeld dat F&F (Europe) daar niet onder valt. De aangeboden tegemoetkoming is gebaseerd op een berekening van het bedrag dat F&F (Europe) volgens Rabobank zou hebben ontvangen indien het Herstelkader wel op haar van toepassing was geweest. Ik verwijs naar onderstaande mail van 16 juli 2019.

Rabobank biedt F&F (Europe) een bedrag aan van EUR 125.576 (uitgaande van betaaldatum 8 november 2019). Een specificatie gaat hierbij.

3.10.

F&F heeft (via haar advocaat) Rabobank gevraagd het aanbod conform het Herstelkader te onderbouwen. Rabobank heeft (de advocaat van) F&F bericht dat een verdere uitwerking niet wordt verstrekt, omdat de berekening inhoudelijk overeenkomt met de berekening zoals die wordt verstrekt aan relaties die wel onder het Herstelkader vallen. F&F heeft het aanbod afgewezen. In een procedure in kort geding heeft F&F onder meer afgifte gevorderd van de onderbouwing van het aanbod. Tijdens de mondelinge behandeling van die procedure heeft Rabobank het schikkingsaanbod herhaald. F&F heeft dat aanbod niet geaccepteerd. De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft de vorderingen van F&F afgewezen bij eindvonnis van 10 januari 2020 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl met nummer ECLI:NL:RBAMS:2020:116). Het daartegen door F&F ingestelde hoger beroep is door dit hof afgewezen bij arrest van 8 juni 2021 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl met nummer ECLI:NL:GHAMS:2021:1752).

4 Eerste aanleg

5 Beoordeling

6 Beslissing