Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14-02-2017, ECLI:NL:GHARL:2017:1230, 200.184.566

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14-02-2017, ECLI:NL:GHARL:2017:1230, 200.184.566

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14 februari 2017
Datum publicatie
16 februari 2017
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2017:1230
Formele relaties
Zaaknummer
200.184.566

Inhoudsindicatie

Hoevepacht, ontduiking.

Art. 7:313 lid 3 BW

[appellant 1] B.V. pacht jaarlijks circa 210 ha landbouwgrond van BBL, verpachter. [appellant 2] B.V. heeft op basis van een bruikleenovereenkomst een bedrijfswoning en een aantal bedrijfsgebouwen van BBL om niet in bruikleen. De B.V.’s beroepen zich op hoevepacht.

Wil sprake zijn van hoevepacht dan dient aannemelijk te zijn dat er een complex van tenminste een gedeelte van een gebouw en het daarbij behorende land bestaat en dat er een tegenprestatie voor zowel het gebruik van het land als de gebouwen is overeengekomen.

De feiten en omstandigheden van de zaak bieden voldoende aanknopingspunten om de gebouwen en de grond aan te merken als een complex .Als onvoldoende gemotiveerd staat verder vast dat een tegenprestatie voor de gebouwen is verdisconteerd in de pachtsom voor de grond, zodat op beide overeenkomsten uit hoofde van artikel 7:313 lid 3 BW de bepalingen omtrent verpachting van hoeven van toepassing zijn met ingang van het tijdstip waarop de laatste van beide overeenkomsten is gesloten. Het hof acht bij dit alles niet relevant dat de pachtovereenkomst voor los land is gesloten met [appellant 1] B.V. en de bruikleenovereenkomst voor de bedrijfsgebouwen met appellant 2] B.V. Destijds is met de voorganger van BBL een ontduikingsconstructie uitgedacht waarbij het nodig leek beide overeenkomsten op naam van verschillende vennootschappen te stellen. Nadat BBL eigenaar was geworden, heeft BBL aanvankelijk (in 2010) [appellant 1] B.V. op beide overeenkomsten vermeld, maar na een opmerking daarover van de controller Van [appellant 1] B.V. de bruikleenovereenkomst alsnog op naam van [appellant 2] B.V. gesteld. Het feit dat met twee vennootschappen is gecontracteerd, had kennelijk ook voor BBL geen andere achtergrond dan voortzetten van wat daarvoor gebruikelijk was. Tot slot berust de zeggenschap in beide vennootschappen uiteindelijk geheel bij [appellante] die feitelijk alle (contractuele) handelingen heeft verricht. In zoverre worden beide vennootschappen aangemerkt als dezelfde (weder)partij als bedoeld in artikel 7:313 lid 3 BW.

Uitspraak

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.184.566

(zaaknummer rechtbank Limburg 2659422)

arrest van de pachtkamer van 14 februari 2017

in de zaak van

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid[appellant 1] B.V. en

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellant 2] B.V.,

beide gevestigd te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna respectievelijk [appellant 1] en [appellant 2] en samen [appellante] ,

advocaat: mr. E.H.M. Harbers,

tegen:

1 de publiekrechtelijke rechtspersoonBureau Beheer Landbouwgronden,

gevestigd te Utrecht,

hierna: BBL,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon Provincie Limburg,

gevestigd te Maastricht,

hierna: de provincie,

geïntimeerden,

advocaat: mr. F. Sepmeijer.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 20 september 2016 hier over. Bij dat arrest is een comparitie van partijen bepaald, die heeft plaatsgevonden op 10 januari 2017. Hierbij is akte verleend van het overleggen van de stukken die bij bericht van 19 december 2016 door mr. Harbers namens [appellante] zijn ingebracht. Aan het slot van de comparitie heeft het hof arrest bepaald.

1.2

[appellante] vordert in het hoger beroep - kort samengevat - het vonnis van 16 december 2015 te vernietigen en te verklaren voor recht dat de tussen [appellante] en BBL gesloten overeenkomst geliberaliseerde pacht en de bruikleenovereenkomst woon- en bedrijfsruimte tezamen dienen te worden aangemerkt als een pachtovereenkomst voor een hoeve, de vordering in reconventie alsnog af te wijzen en BBL en de provincie te veroordelen in de kosten van de beide instanties, te vermeerderen met nakosten.

2 De vaststaande feiten

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4 Debeoordelingvandegrievenendevordering

5 De beslissing