Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 01-05-2018, ECLI:NL:GHARL:2018:4161, 200.208.355
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 01-05-2018, ECLI:NL:GHARL:2018:4161, 200.208.355
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 1 mei 2018
- Datum publicatie
- 31 mei 2018
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2018:4161
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:6691, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- 200.208.355
Inhoudsindicatie
Verzoek ex artikel 35 Wbp. De Wbp geeft geen recht op inzage in medische analyses die deskundigen op verzoek van de medisch adviseur van de aansprakelijkheidsverzekeraar van het aangesproken ziekenhuis en gynaecoloog hebben gemaakt. Verwijzing naar ECLI:NL:HR:2018:365, ECLI:EU:C:2014:2081 en ECLI:NL:GHDHA:2017:2723.
Uitspraak
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.208.355
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 304243)
beschikking van 1 mei 2018
inzake
[appellante] , optredende voor zichzelf alsmede in hoedanigheid van moeder en wettelijke vertegenwoordigster van haar zoon [minderjarige],
wonende te [plaatsnaam] ,
appellante in het principaal hoger beroep,
verweerster in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
in eerste aanleg: verzoekster,
hierna: [appellante] ,
advocaat: mr. J.M. Beer,
tegen:
de maatschap Veduma Medisch Adviseurs,
gevestigd te Zaltbommel,
verweerster in het principaal hoger beroep,
appellante in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
in eerste aanleg: verweerster,
hierna: Veduma,
advocaat: mr. O.L. Nunes.
1 Het geding in eerste aanleg
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de beschikking van 1 november 2016.
2 Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het op 24 januari 2017 ingekomen beroepschrift (met een nieuwe productie),
- het verweerschrift in hoger beroep tevens voorwaardelijk incidenteel beroepschrift (met producties),
- het verweerschrift in incidenteel hoger beroep (met een productie),
- de mondelinge behandeling, waarbij de advocaten het standpunt van partijen hebben toegelicht aan de hand van door hen overgelegde pleitnotities. Hierbij is akte verleend van de productie die bij bericht van 17 oktober 2017 namens Veduma is ingebracht.
Vervolgens heeft het hof beschikking bepaald.
3 De vaststaande feiten
[appellante] is op [bevallingsdatum] in het Waterlandziekenhuis te Purmerend via een keizersnede bevallen van [minderjarige] . Na de geboorte is bij [minderjarige] een hoge dwarslaesie geconstateerd.
Veduma is de medisch adviseur van De Onderlinge Waarborgmaatschappij Centramed B.A. (hierna: Centramed), de aansprakelijkheidsverzekeraar van het ziekenhuis en van de betrokken gynaecoloog, [De gynaecoloog] (hierna: [De gynaecoloog] ). [appellante] heeft het bestuur en het (para)medisch personeel van het ziekenhuis gemachtigd informatie over de bevalling te verstrekken aan de medisch adviseur van Centramed, dus aan Veduma.
Stellende dat bij de geboorte van [minderjarige] niet met de vereiste mate van zorgvuldigheid is gehandeld, heeft [appellante] een schadevergoedingsvordering ingesteld tegen de stichting die het Waterlandziekenhuis exploiteert (hierna: het ziekenhuis) en tegen [De gynaecoloog] . Inmiddels is onherroepelijk komen vast te staan dat [appellante] geen schadevergoedingsvordering toekomt; nadat het hof Amsterdam bij uitspraak van 13 september 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:3739) de schadevergoedingsvordering van [appellante] had afgewezen op de grond dat niet is komen vast te staan dat de gynaecoloog bij de uitvoering van de keizersnede heeft gehandeld in strijd met hetgeen van een redelijk handelend, redelijk bekwaam beroepsgenoot verwacht mocht worden, heeft de Hoge Raad bij arrest van 16 maart 2018 (ECLI:NL:HR:2018:365) het hiertegen gerichte cassatieberoep verworpen.
Bij brief van 26 april 2016 heeft [appellante] Veduma verzocht op de voet van artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) de in lid 2 van deze bepaling bedoelde mededeling te doen.
Bij brief van 20 mei 2016 heeft Veduma aan [appellante] opgave gedaan van medische gegevens in haar dossier, waaronder het medisch dossier van Centramed en de door [appellante] verleende machtiging, een beoordeling van MRI-beelden door radioloog Blomjous, een brief van kinderarts Sprangers en kinderneuroloog Poll-The, medische rapportages van prof. Eskes en een deskundigenbericht van prof. Lotgering.
In de onder 3.3 genoemde bodemzaak had [appellante] ook, bij wege van incidentele vordering ex artikel 834a Rv, inzage verzocht in (de correspondentie met betrekking tot) een notitie waarin de door Centramed geraadpleegde radioloog dr. M.H. Lequin (hierna: Lequin) zijn opinie zou hebben gegeven. Deze incidentele vordering is door het hof afgewezen. Ook tegen dit oordeel was [appellante] cassatieberoep gericht. De Hoge Raad heeft in voormeld arrest van 16 maart 2018 ook dit cassatieberoep verworpen, daartoe onder meer overwegend dat [appellante] geen inzage vordert in medische gegevens van [minderjarige] , maar inzage in een medische analyse die de deskundige Lequin aan de hand van zodanige gegevens heeft gemaakt op verzoek van [De gynaecoloog] en het ziekenhuis, derhalve de partijen die door [appellante] wegens een (beweerde) beroepsfout aansprakelijk zijn gesteld; die vordering was gericht op verkrijging van informatie ten behoeve van de aansprakelijkheidsprocedure en niet op het doel waartoe Richtlijn 95/46/EG strekt; omdat het hier niet gaat om persoonsgegevens in de zin van die richtlijn, overweegt de Hoge Raad (onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 17 juli 2014, ECLI:EU:C:2014:2081) dat het hof terecht heeft geoordeeld dat [appellante] aan de Wbp niet een recht op verstrekking van de medische analyse van Lequin kan ontlenen.
In een tegen Centramed, [De gynaecoloog] en het ziekenhuis aanhangig gemaakte rechtszaak heeft [appellante] verzocht te bepalen dat Centramed alsnog voldoet aan het door [appellante] gedane verzoek ex artikel 35 lid 2 Wbp en aan haar afschriften ter beschikking stelt van alle met Lequin gevoerde correspondentie inclusief diens advies of rapport. Dit verzoek is bij beschikking van 8 december 2016 door de rechtbank Den Haag afgewezen. In hoger beroep heeft het hof Den Haag, voor het geval zou moeten worden aangenomen dat zich in het dossier van Centramed een analyse van Lequin bevindt, bij beschikking van 3 oktober 2017 (ECLI:NL:GHDHA:2017:2723) overwogen dat, uitgaande van de overwegingen van het HvJ EU van 17 juli 2014, ECLI:EU:C:2014:2081, ten aanzien van de medische analyse door Lequin kan worden aangenomen dat deze weliswaar persoonsgegevens kan bevatten maar op zich niet een dergelijk gegeven vormt in de zin van de Wbp; de analyse houdt hooguit informatie in over de beoordeling en de toepassing van medisch-wetenschappelijke inzichten op de situatie van [appellante] en [minderjarige] aan de hand van de aan Lequin verstrekte beeldvormende gegevens (r.o. 4.16 tot en met 4.18 van de beschikking). Het hof heeft verder overwogen dat het geen grond ziet om ervan uit te gaan dat de wetgever met de Wbp van de beschikking). Het hof heeft verder overwogen dat het geen grond ziet om ervan uit te gaan dat de wetgever met de een verdergaand recht op inzage heeft gecreëerd dan waartoe Nederland gehouden is op grond van richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (de richtlijn) (r.o 4.19 van de beschikking). Tot slot heeft het hof Den Haag de stelling van [appellante] verworpen dat de analyse van Lequin een rapport in de zin van artikel 6.1.6 van de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Financiële Instellingen betreft; ook uit dien hoofde vloeit derhalve geen recht op inzage voort (r.o. 4.20 van de beschikking).