Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10-07-2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6229, 200.236.016
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10-07-2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6229, 200.236.016
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 10 juli 2018
- Datum publicatie
- 10 juli 2018
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2018:6229
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2018:750
- Zaaknummer
- 200.236.016
Inhoudsindicatie
Zorgverzekeraar Zilveren Kruis mag vooraf toestemming eisen voor verlenen thuiszorg door niet-gecontracteerde zorgaanbieders. Cessieverbod. Betaalovereenkomst.
Uitspraak
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.236.016
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 453224)
arrest in kort geding van 10 juli 2018
in de zaak van
1. de naamloze vennootschap
Zilveren Kruis Ziektekostenverzekeringen N.V.,
gevestigd te Amersfoort,
2. de naamloze vennootschap
Zilveren Kruis Zorgverzekeringen N.V.,
gevestigd te Utrecht,
3. de naamloze vennootschap
Achmea Zorgverzekeringen N.V.,
gevestigd te Zeist,
4. de naamloze vennootschap
Achmea Schadeverzekeringen N.V.,
gevestigd te Apeldoorn,
appellanten in het principaal hoger beroep,
geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,
in eerste aanleg: gedaagden,
advocaten: mr. T.R.M. van Helmond en mr. S.C. Bezemer,
tegen:
1. de stichting
Stichting Zorgrecht,
gevestigd te Capelle aan den IJssel,
2. [geïntimeerde 2], handelend onder de naam "[A]",
wonende te [plaatsnaam] ,
3. [geïntimeerde 3], handelend onder de naam "[B]",
wonende te [plaatsnaam] ,
4. [geïntimeerde 4], handelend onder de naam " [C]",
wonende te [plaatsnaam] ,
5. [geïntimeerde 5], handelend onder de naam "[D]",
wonende te [plaatsnaam] ,
6. [geïntimeerde 6], handelend onder de naam "[E]",
wonende te [plaatsnaam] ,
7. [geïntimeerde 7], handelend onder de naam "[F]",
wonende te [plaatsnaam] ,
8. [geïntimeerde 8], handelend onder de naam "[G]",
wonende te [plaatsnaam] ,
9. [geïntimeerde 9], handelend onder de naam "[H]",
wonende te [plaatsnaam] ,
10. [geïntimeerde 10], handelend onder de naam "[I]",
wonende te [plaatsnaam] ,
11. [geïntimeerde 11], handelend onder de naam "[J]",
wonende te [plaatsnaam] ,
12. [geïntimeerde 12], handelend onder de naam "[K]",
wonende te [plaatsnaam] ,
13. [geïntimeerde 13], handelend onder de naam "[L]",
wonende te [plaatsnaam] ,
14. [geïntimeerde 14], handelend onder de naam "[M]",
wonende te [plaatsnaam] ,
15. [geïntimeerde 15], handelend onder de naam "[N]",
wonende te [plaatsnaam] ,
16. [geïntimeerde 16], handelend onder de naam "[O]",
wonende te [plaatsnaam] ,
17. [geïntimeerde 17], handelend onder de naam "[P]",
wonende te [plaatsnaam] ,
18. [geïntimeerde 18], handelend onder de naam "[Q]",
wonende te [plaatsnaam] ,
19. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Overalzorg B.V.,
gevestigd te Simpelveld,
20. [geïntimeerde 20], handelend onder de naam "[R]",
wonende te [plaatsnaam] ,
21. [geïntimeerde 21], handelend onder de naam "[S]",
wonende te [plaatsnaam] ,
22. [geïntimeerde 22], handelend onder de naam "[T]",
wonende te [plaatsnaam] ,
23. [geïntimeerde 23], handelend onder de naam "[U]",
wonende te [plaatsnaam] ,
24. [geïntimeerde 24], handelend onder de naam "[V]",
wonende te [plaatsnaam] ,
25. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Focus op Zorg B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
26. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BCC Consult B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
27. de stichting
Stichting Zorgu,
gevestigd te Zoetermeer,
geïntimeerden in het principaal hoger beroep,
appellanten in het incidenteel hoger beroep,
in eerste aanleg: eisers,
advocaten: mr. M. Goedhart en mr. M. Kalkwiek.
Appellanten zullen hierna gezamenlijk in enkelvoud Zilveren Kruis genoemd worden.
Geïntimeerden zullen hierna gezamenlijk in enkelvoud Zorgrecht worden genoemd. Geïntimeerde sub 1 zal hierna ook Stichting Zorgrecht worden genoemd.
1 Het geding in eerste aanleg
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 23 februari 2018 dat de voorzieningenrechter (rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht) heeft gewezen.
2 Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep van 19 maart 2018 met grieven en producties,
- de conclusie van eis,
- de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep en vermeerdering van eis met producties,
- de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities. Hierbij is akte verleend van de stukken die bij bericht van 8 juni 2017 (de producties F tot en met J) respectievelijk bij bericht van 11 juni 2018 (productie K) door mr. Goedhart namens Zorgrecht zijn ingebracht.
Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald op het ten behoeve van het pleidooi door Zilveren Kruis overgelegde procesdossier.
Zilveren Kruis vordert in het principaal hoger beroep - kort samengevat - dat het hof bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, Zorgrecht niet-ontvankelijk zal verklaren althans de vorderingen van Zorgrecht jegens haar zal afwijzen, met veroordeling van Zorgrecht in de proceskosten en de nakosten.
Zorgrecht vordert in het incidenteel hoger beroep - kort samengevat - dat het hof bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, Zilveren Kruis een dwangsom zal opleggen van € 5.000,- voor iedere overtreding van het in rov. 5.1 van het bestreden vonnis opgelegde verbod en van het in rov. 5.2 van dat vonnis opgelegde gebod.
Zorgrecht heeft tevens haar eis aldus vermeerderd dat zij, naast het in de inleidende dagvaarding gevorderde onder i) en ii) thans vordert:
iii) Zilveren Kruis te verbieden om aan haar verzekerden informatie te verstrekken, anders dan waartoe zij bij of krachtens enig wettelijk voorschrift zijn verplicht, welke die verzekerden ertoe kunnen bewegen om voor het betrekken van wijkverpleegkundige zorg zich te wenden tot een gecontracteerde zorgaanbieder, op straffe van een dwangsom van
€ 5.000,- voor iedere overtreding van dit verbod en voor iedere dag dat deze vordering voortduurt.
3 De vaststaande feiten
De voorzieningenrechter heeft in zijn vonnis van 23 februari 2018 onder 2.1 tot en met 2.10 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen - met uitzondering van de in het kader van de grieven 1 en 2 geformuleerde aanmerkingen op het deels niet juist/onvolledig weergeven van feiten in 2.5 en 2.7 - geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep in zoverre ook van die feiten uitgaan.