Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24-12-2019, ECLI:NL:GHARL:2019:11169, 200.259.691/01

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24-12-2019, ECLI:NL:GHARL:2019:11169, 200.259.691/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24 december 2019
Datum publicatie
30 december 2019
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2019:11169
Formele relaties
Zaaknummer
200.259.691/01

Inhoudsindicatie

Wijziging kinderalimentatie. Behoefte. Afwijking van NIBUD-tabel.

Uitspraak

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.259.691

(zaaknummer rechtbank Rotterdam 545808)

beschikking van 24 december 2019

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.R. van Wieren te 's-Hertogenbosch,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. G.M. de Weerd te Rotterdam.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam, van 22 januari 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder ook: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

het beroepschrift tevens wijziging en aanvullend verzoek met producties, op 19 april 2019 ingekomen bij het gerechtshof Den Haag en op 13 mei 2019 ingekomen bij dit hof;

-

een beschikking van het gerechtshof Den Haag van 8 mei 2019, waarbij de zaak is verwezen naar dit hof;

-

een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties;

-

een journaalbericht van mr. De Weerd van 10 oktober 2019 met producties;

-

een journaalbericht van mr. Van Wieren van 11 oktober 2019, tevens houdende aanvullend verzoek met producties;

-

een e-mailbericht van de vrouw van 21 oktober 2019 aan het hof met bijlagen.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 22 oktober 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming is, met bericht vooraf, niemand verschenen.

2.3

Mr. De Weerd heeft op de mondelinge behandeling bij het hof bezwaar gemaakt tegen het aanvullend verzoek dat namens de vrouw bij het journaalbericht van 11 oktober 2019 is ingediend. Hij heeft aangevoerd dat het indienen van een dergelijk aanvullend verzoek zowel in strijd is met de twee-conclusie-regel als met de goede procesorde, nu het verzoek bovendien kort voor de mondelinge behandeling is ingediend. Mr. De Weerd heeft op dezelfde gronden bezwaar gemaakt tegen de toelichting in de begeleidende brief bij voornoemd journaalbericht, alsmede tegen het verweer tegen de verzoeken van de man in het incidenteel hoger beroep dat in diezelfde brief is opgenomen. Mr. De Weerd heeft verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar aanvullend verzoek.

2.4

Nadat het hof de mondelinge behandeling kort had geschorst voor beraad, heeft het hof partijen meegedeeld dat het verzoek van de man om de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar aanvullend verzoek, wordt afgewezen. Naar het oordeel van het hof is in dit geval geen sprake van schending van de twee-conclusie-regel en/of de goede procesorde. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat het journaalbericht van 11 oktober 2019 binnen de tien-dagen-termijn als bedoeld in artikel 1.4.4 van het tot 1 oktober 2019 geldende Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven (verder: het Procesreglement) is ingediend, Daarnaast heeft het hof meegewogen dat het gaat om een aanvulling van de grondslagen van het verzoek en dat het verzoek zelf al eerder bij beroepschrift was gedaan. Voorts acht het hof van belang dat de bij dit journaalbericht overgelegde producties voornamelijk correspondentie tussen partijen betreffen, zodat de man al met die inhoud bekend was, en dat de stukken eenvoudig zijn te doorgronden.

2.5

Mr. Van Wieren heeft op de mondelinge behandeling bij het hof bezwaar gemaakt tegen indiening door mr. De Weerd van productie 42 (behorend bij het verweerschrift, tevens houdende incidenteel hoger beroep en (aanvullend) bij het journaalbericht van 10 oktober 2019). Zij heeft verzocht die productie buiten beschouwing te laten wegens schending van de goede procesorde, omdat iedere verwijzing naar een vindplaats in de stukken volgens haar ontbreekt.

2.6

Met inachtneming van artikel 1.1.10 van het Procesreglement beslist het hof dat op productie 42 acht wordt geslagen. Weliswaar ontbreekt bij productie 42 een inventarislijst met vindplaatsen en zitten er geen tabs tussen de stukken die bij productie 42 zijn overgelegd, maar naar het oordeel van het hof levert dat geen schending van de goede procesorde op. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de stukken (voor een deel: ruim) binnen de tien-dagen-termijn als bedoeld in artikel 1.4.4 van het Procesreglement zijn overgelegd en dat mr. Van Wieren zelf ook informatie uit die stukken heeft gebruikt ter onderbouwing van het standpunt van de vrouw. Naar het oordeel van het hof hebben de vrouw en mr. Van Wieren, hoewel een inventarislijst met vindplaatsen en de tabs tussen de stukken ontbreken, in redelijkheid voldoende kunnen kennisnemen van die stukken en moeten zij zich voldoende hebben kunnen voorbereiden op een verweer daartegen.

2.7

De hierna nader te noemen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] (verder gezamenlijk ook te noemen: de kinderen) hebben schriftelijk aan het hof hun mening kenbaar gemaakt over de verzoeken aangaande de zorgregeling. Deze verklaringen zijn gevoegd bij voornoemd e-mailbericht van 21 oktober 2019.

2.8

Op verzoek van de man en met instemming van de vrouw zijn de kinderen na de mondelinge behandeling bij het hof in de gelegenheid gesteld om op 28 oktober 2019 mondeling hun mening kenbaar te maken over de verzoeken aangaande de zorgregeling. De kinderen zijn op die datum ieder afzonderlijk en buiten de aanwezigheid van partijen door het hof gehoord.

3 De feiten

3.1

De man en de vrouw hebben vanaf 2002 tot 16 april 2016 een relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van:

-

[de minderjarige1] , geboren [in] 2004 te [C] (verder te noemen: [de minderjarige1] ), en

-

[de minderjarige2] , geboren [in] 2007 te [C] (verder te noemen: [de minderjarige2] ).

3.2

De man heeft de kinderen erkend.

3.3

Partijen hebben na het beëindigen van hun relatie in 2016 afspraken gemaakt over de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (verder: kinderalimentatie). Deze afspraken zijn vastgelegd in een stuk met als opschrift “Definitieve voorstel aan [verzoekster] ”, dat beide partijen op 24 juli 2016 hebben ondertekend. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:

“- Kinderalimentatie € 600,- (...)

- [verweerder] betaalt schoolgeld [de minderjarige2] ad Euro 3k en bijdrage in paardrijles ad Euro 0,3k, naar

verhouding 70%. [verzoekster] betaalt [verweerder] de resterende 30%

-

startdatum van kinderalimentatie is 1 mei (...)

-

met deze overeenkomst ziet [verzoekster] definitief af van een nacalculatie over de laatste 5 jaren

-

de verdeling van de gezamenlijke kosten op basis van 70-30%. [verweerder] betaalt 70%”

3.4

De man heeft op 17 februari 2017 bij de rechtbank Den Haag een verzoek ingediend tot toekenning gezamenlijk ouderlijk gezag en vaststelling zorg-/omgangsregeling.

Bij beschikking van 2 maart 2017 heeft de rechtbank Den Haag de zaak verwezen naar de rechtbank Rotterdam.

Partijen hebben vervolgens in forensische mediation overeenstemming bereikt over het gezag en de zorgregeling. Deze afspraken zijn vastgelegd in een ouderschapsplan met bijlage, dat op 23 oktober 2017 door beide partijen is ondertekend. In de bijlage is een tweewekelijkse zorgregeling opgenomen, inhoudende dat de kinderen de ene week van donderdag na school tot 20.00 uur bij de man verblijven en de andere week van donderdag na school tot zondag 17.00 uur bij de man verblijven. Verder is in de bijlage een vakantieregeling opgenomen, die erop neerkomt dat vakanties en feestdagen bij helfte tussen partijen worden verdeeld. Ingevolge artikel 8 van het ouderschapsplan zullen partijen het plan jaarlijks met elkaar evalueren en waar nodig aanpassen, te beginnen in de zomer van 2018.

3.5

De vrouw heeft op 22 januari 2018 een verweerschrift, tevens houdende een zelfstandig verzoek, bij de rechtbank Rotterdam ingediend. Zij heeft de rechtbank verzocht de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen, alsmede de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 mei 2016 vast te stellen op € 955,- per kind per maand, waarop in mindering strekt de door de man over de periode van 1 mei 2016 tot en met 31 december 2017 reeds ter zake van kinderalimentatie aan de vrouw betaalde bijdragen, althans een zodanig bedrag (niet lager dan de feitelijk door de man aan de vrouw betaalde bijdragen ten titel van kinderalimentatie en - wat betreft toekomstig door de man verschuldigde bijdragen niet lager dan - geïndexeerd met ingang van 1 januari 2017 - € 300,- per kind per maand) respectievelijk (een) beslissing(en) die de rechtbank juist oordeelt.

3.6

Bij beschikking van 5 februari 2018 heeft de rechtbank Rotterdam de man gezamenlijk met de vrouw belast met het ouderlijk gezag over de kinderen, bepaald dat de zorgregeling zal zijn overeenkomstig de afspraken die partijen hebben vastgelegd in het ouderschapsplan, en de zelfstandige verzoeken van de vrouw betreffende de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de kinderalimentatie afgewezen.

3.7

Bij verzoekschrift, op 15 februari 2018 ingekomen bij de rechtbank Den Haag, heeft de vrouw de rechtbank verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de hoofdverblijfplaats van de kinderen te bepalen op het adres van de vrouw;

  2. de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie vast te stellen:

-

a) op een bedrag van € 1.135,- per kind per maand, door de man bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen,

-

b) met ingang van 1 mei 2016,

-

c) op welk bedrag in mindering strekt de door de man over de periode 1 mei 2016 tot en met 31 december 2017 reeds ter zake van kinderalimentatie aan de vrouw betaalde bijdragen,

-

d) de wettelijke indexering van toepassing is op het hiervoor genoemde bedrag van € 1.135,- per kind per maand voor het eerst met ingang van 1 januari 2017,

althans zodanig bedrag (niet lager dan de feitelijk door de man aan de vrouw betaalde bedragen ten titel van kinderalimentatie en - wat betreft toekomstig door de man verschuldigde bijdragen niet lager dan - geïndexeerd met ingang van 1 januari 2017 - € 300,- per kind per maand), respectievelijk (een) beslissing(en) die de rechtbank juist oordeelt;

te bepalen dat partijen - onder verwijzing naar artikel 7.3 van het door hen op (naar het hof begrijpt:) 23 oktober 2017 ondertekende ouderschapsplan - verplicht zijn, althans zich hebben verplicht aan een kind van 21 jaar of ouder de op dat moment bestaande (studie)bijdrage te betalen en/of continueren zolang het kind met redelijke resultaten en in overleg met hen met een beroepsopleiding bezig is of studeert, doch uiterlijk tot het tijdstip waarop het kind de 25-jarige leeftijd bereikt, althans een zodanige beslissing als de rechtbank juist oordeelt (met als doel ieder van de kinderen een executoriale titel te verschaffen),

kosten rechtens.

3.8

Bij beschikking van 26 februari 2018 heeft de rechtbank Den Haag de zaak verwezen naar de rechtbank Rotterdam.

3.9

Bij verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken, op 29 maart 2018 ingekomen bij de rechtbank Rotterdam, heeft de man de rechtbank verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. het verzoek van de vrouw sub A (hoofdverblijfplaats) toe te wijzen;

II. het verzoek van de vrouw sub B (vaststelling bijdrage in de kosten van de kinderen)

in al zijn onderdelen af te wijzen;

III. het verzoek van de vrouw sub C (studiekostenbeding) af te wijzen;

alsmede bij wijze van zelfstandige verzoeken:

A. primair de zorgregeling voor de kinderen aldus vast te stellen dat de kinderen de ene week bij de man verblijven en de andere week bij de vrouw, waarbij de schoolvakanties 50/50 verdeeld worden, met instandhouding van het ouderschapsplan voor het overige;

subsidiair iedere beslissing omtrent de zorgregeling aan te houden en bij tussenbeschikking een forensische mediation te gelasten bij [D] of een andere door de rechtbank daartoe aan te wijzen forensische mediator, met de in het verweerschrift omschreven vraagstelling;

meer subsidiair iedere beslissing omtrent de zorgregeling aan te houden en bij tussenbeschikking [D] of een andere door de rechtbank daartoe aan te wijzen deskundige tot bijzondere curator over de kinderen te benoemen, met een in het verweerschrift omschreven onderzoeksopdracht;

de vrouw te veroordelen tot terugstorting van een bedrag van € 12.816,42 op spaarrekeningen van de kinderen, zulks binnen twee weken na de te geven beschikking op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat de vrouw na verloop van deze termijn in verzuim blijft.

3.10

De vrouw heeft op 30 november 2018 bij de rechtbank een verweerschrift ingediend tegen de zelfstandige verzoeken van de man. Zij heeft de rechtbank verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de verzoeken van de man onder A. (zorgregeling) af te wijzen;

  2. de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek onder B. (terugstorting spaargeld), althans het verzoek van de man onder B. af te wijzen,

kosten rechtens.

3.11

Bij brief van 30 november 2018 heeft de vrouw een aanvullend verzoek bij de rechtbank ingediend, inhoudende dat zij de rechtbank subsidiair verzoekt de door de man aan de vrouw met ingang van 1 mei 2016 te betalen kinderalimentatie op grond van artikel 1:401 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) te wijzigen naar een bedrag van € 1.135,- per kind per maand.

4 De omvang van het geschil

5 De motivering van de beslissing

6 De slotsom

7 Aanhechten draagkrachtberekeningen

8 De beslissing