Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 09-04-2019, ECLI:NL:GHARL:2019:3167, 200.211.957/01
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 09-04-2019, ECLI:NL:GHARL:2019:3167, 200.211.957/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 9 april 2019
- Datum publicatie
- 11 april 2019
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2019:3167
- Formele relaties
- Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:2004, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 200.211.957/01
Inhoudsindicatie
Omkeringsregeling; beroepsaansprakelijkheid advocaat in verband met ondeugdelijke oproeping voor faillissementszitting. De geschonden norm strekt er niet toe te voorkomen dat een faillissement wordt uitgesproken; de strekking daarvan is slechts te waarborgen dat de opgeroepen partij in staat wordt gesteld gebruik te maken van haar recht op het verzoek tot faillietverklaring te worden gehoord. De omkeringsregeling is daarom niet van toepassing. Het vergeefs aanvragen van faillissement leidt niet tot aansprakelijkheid.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.211.957/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/162385 / HA ZA 15-248)
arrest 9 april 2019
in de zaak van
1 Bosma B.V.,
gevestigd te Drachten,
hierna: Bosma,
2. [appellant2] ,
wonende te [A] ,
hierna: [appellant2],
appellanten,
in eerste aanleg: gedaagden,
hierna gezamenlijk te noemen: Bosma c.s.,
advocaat: mr. P. Wanders, kantoorhoudend te Amsterdam,
tegen
HSK B.V.,
gevestigd te Leeuwarden,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna: HSK,
advocaat: mr. H. Loonstein, kantoorhoudend te Amsterdam.
1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 22 mei 2018 hier over. Naar aanleiding van dat arrest heeft op 4 februari 2019 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Een kopie van het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken. Daarna is arrest gevraagd op grond van het met het proces-verbaal aangevulde dossier.
2 De vaststaande feiten
Tussen partijen staat in dit hoger beroep het volgende vast.
HSK exploiteert een keten van kledingwinkels onder de naam Skooter. [B] (hierna: [B] ) is bestuurder van HSK.
[appellant2] is advocaat.
Bosma heeft in 2013 bouwproducten aan HSK geleverd en heeft HSK daarvoor € 5.900,93 in rekening gebracht. De rekening bleef ondanks sommatie onbetaald.
In een brief van 8 juli 2014 heeft [appellant2] namens Bosma HSK een conceptverzoekschrift tot faillietverklaring gestuurd met de mededeling dat bij uitblijven van betaling een verzoekschrift bij de rechtbank zou worden ingediend.
Met een deurwaardersexploot van 22 juli 2014 heeft [appellant2] HSK namens Bosma laten oproepen tegen de zitting van 2 september 2014 om 10.00 uur van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, om te worden gehoord op het verzoekschrift tot faillietverklaring.
Dit verzoekschrift is pas daarna, op 20 augustus 2014, bij deze rechtbank ingediend.
HSK is niet op de zitting van 2 september 2014 verschenen en is nog diezelfde dag bij verstek in staat van faillissement verklaard.
Op 3 september 2014 is HSK van het vonnis van de rechtbank in verzet gekomen. De mondelinge behandeling van het verzetschrift heeft daarna plaatsgevonden op
9 september 2014. Eén dag eerder heeft de aandeelhouder van HSK in mindering op de vordering van Bosma "onder protest" € 7.908,35 aan [appellant2] betaald.
Op 11 september 2014 heeft de rechtbank het verzet ongegrond verklaard.
HSK is van het vonnis van 11 september 2014 van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het hof Arnhem-Leeuwarden. In een arrest van 9 oktober 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:7804) is het vonnis van 11 september 2014 bekrachtigd.
Op 5 juni 2015 heeft de Hoge Raad dit arrest vernietigd en de zaak verwezen naar het hof Den Bosch (ECLI:NL:HR:2015:1473). De Hoge Raad heeft onder meer overwogen dat het rechtsmiddel van verzet de strekking heeft dat het geding waarin verstek is verleend op tegenspraak in dezelfde instantie wordt voortgezet. Het biedt de gedaagde die niet is verschenen en daardoor zijn belangen bij de rechter niet kon verdedigen daartoe alsnog de gelegenheid. Dit strookt met het beginsel van hoor en wederhoor. Met die strekking van het rechtsmiddel van verzet en met de ingrijpende gevolgen die een faillietverklaring heeft, verdraagt zich niet dat de schuldenaar die zich tegen de bij verstek uitgesproken faillietverklaring wenst te verzetten bij dat verweer geen baat meer kan hebben. Dat is bijvoorbeeld aan de orde bij het verweer dat de vordering van de aanvrager niet of niet langer bestaat. Als die stelling juist is, ontneemt dat de aanvrager de bevoegdheid het faillissement uit te lokken. Ten overvloede heeft de Hoge Raad hier aan toegevoegd dat HSK in dit geval gedurende meer dan vier weken in de veronderstelling heeft verkeerd dat de faillissementsaanvraag op een bepaalde dag zou worden behandeld, zonder dat bij de rechtbank die aanvraag bekend was. Daardoor konden naar het oordeel van de Hoge Raad misverstanden rijzen zoals die volgens HSK in dit geval zijn opgetreden, en werd het die partij onmogelijk gemaakt op enigerlei wijze met de rechtbank over de zaak te communiceren. Mochten Bosma c.s. zonder voorafgaande mededeling daaromtrent van de rechtbank dag en uur van de zitting in het exploot hebben opgenomen, dan verdient naar het oordeel van de hoge Raad opmerking dat het toepasselijke procesreglement de tijdsvolgorde aangeeft van mededeling door de rechtbank en oproeping door de verzoeker, zodat de oproeping in dat geval reeds op die grond niet behoorlijk is geweest.
In een tussenarrest van 17 september 2015 (ECLI:NL:GHSHE:2015:3641) heeft het hof Den Bosch vastgesteld dat de vordering van Bosma niet meer bestond op het moment van de uitspraak op het verzet en dat daarmee HSK de bevoegdheid is ontnomen het faillissement aan te vragen. Het hof heeft verder geoordeeld dat, nu Bosma geen vordering op HSK (meer) had en dus niet bevoegd was het faillissement aan te vragen, het faillissement reeds op deze grond diende te worden vernietigd. In het eindarrest van 3 maart 2016 heeft dit hof de faillissementskosten en het salaris van de curator vastgesteld op € 160.000,-- en bepaald dat dit bedrag voor 1/4e deel ten laste van HSK komt en voor 3/4e deel ten laste van Bosma.
[B] heeft nadien een klacht ingediend tegen [appellant2] bij de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden. In hoger beroep heeft het hof van discipline op
31 oktober 2016 (slechts) de klacht gegrond verklaard dat het exploot van 22 juli 2014 ten onrechte vermeldt dat het faillissementsverzoek al bij de rechtbank was ingediend.