Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29-10-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:8813, 200.263.590

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29-10-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:8813, 200.263.590

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29 oktober 2020
Datum publicatie
3 november 2020
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2020:8813
Zaaknummer
200.263.590

Inhoudsindicatie

zorgkosten bij Kinderalimentatie en Partneralimentatie o.a. doorbreking niet-wijzigingsbeding en ontbreken lotsverbondenheid door grievend gedrag.

Uitspraak

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.263.590

(zaaknummer rechtbank Gelderland 342211)

beschikking van 29 oktober 2020

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. Q. Overeijnder te Monnickendam,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.M. Backus te Utrecht.

1 1. De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 7 mei 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.

2 De procedure in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

het beroepschrift met producties, ingekomen op 2 augustus 2019;

-

het verweerschrift met producties;

-

een journaalbericht van mr. Backus van 5 maart 2020 met producties 31 tot en met 36;

-

een journaalbericht van mr. Overeijnder van 6 maart 2020 met producties 1 tot en met 15;

-

een journaalbericht van mr. Overeijnder van 26 mei 2020 met producties 16 tot en met 34;

-

een journaalbericht van mr. Overeijnder van 28 mei 2020 met productie 35;

-

een journaalbericht van mr. Backus van 29 mei 2020 met producties 37 tot en met 41;

-

een journaalbericht van mr. Backus van 4 juni 2020 met producties 42 tot en met 47;

-

spreekaantekeningen van mr. Backus voor de (uitgestelde) mondelinge behandeling van 16 juni 2020;

-

een journaalbericht van mr. Overeijnder van 18 augustus 2020 met producties 36 tot en met 45;

-

een journaalbericht van mr. Backus van 24 augustus 2020 met producties 48 en 49.

2.2

De minderjarige [de minderjarige1] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 4 september 2020 plaatsgevonden. De man is in persoon verschenen. De vrouw is eveneens in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat.

3 De feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is [in] 2017 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van:

-

[de meerderjarige] , geboren [in] 2001 te [B] ;

-

[de minderjarige1] , geboren [in] 2004 te [B] ;

-

[de minderjarige2] , geboren [in] 2006 te [B] en

-

[de minderjarige3] , geboren [in] 2010 te [B] .

[de meerderjarige] is [in] 2019 meerderjarig geworden. Deze procedure heeft geen betrekking op haar. [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] zullen hierna ook gezamenlijk de kinderen worden genoemd.

3.3

[de minderjarige3] woont bij de man. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven sinds medio 2018 in netwerkpleeggezinnen.

3.4

Bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 30 december 2016 is de

echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is bepaald dat het convenant en ouderschapsplan deel uitmaken van die beschikking. Daarnaast is bepaald dat de

hoofdverblijfplaats van [de meerderjarige] en [de minderjarige3] bij de vrouw zal zijn en die van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij de man.

3.5

In artikel 7.2 van het ouderschapsplan van 25 november 2016 zijn partijen (onder

meer) overeengekomen dat de man een bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging

van de kinderen (hierna: kinderalimentatie) betaalt van € 212,- per kind per maand.

3.6

In artikel 1 van het echtscheidingsconvenant van 25 november 2016 zijn partijen

overeengekomen dat de man de vrouw een bijdrage in haar kosten van levensonderhoud

(hierna: partneralimentatie) betaalt van € 1.310,- bruto per maand. Partijen zijn in artikel 3 van het echtscheidingsconvenant een niet-wijzigingsbeding voor de partneralimentatie overeengekomen. Dit artikel luidt als volgt:

“Het in de artikelen 1 en 2 bepaalde kan niet bij rechterlijke uitspraak worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden, behoudens in een geval van een zo ingrijpende wijziging van de omstandigheden, dat de partij die de wijziging verzoekt, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden, zoals in artikel 1:159 lid 3 BW bepaald, waaronder begrepen het geval dat de man kan aantonen dat zijn inkomsten over de laatste 3 boekjaren in relevante mate (met ten minste 25% ten opzichte van het huidige inkomen van de man van € 90.000) zijn verminderd door omstandigheden buiten zijn toedoen”.

4 Het geschil

5 De overwegingen voor de beslissing

6 De slotsom

7 Aanhechten draagkrachtberekening

8 De beslissing