Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 02-08-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:6851, 21/01043
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 02-08-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:6851, 21/01043
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 2 augustus 2022
- Datum publicatie
- 19 augustus 2022
- Zaaknummer
- 21/01043
- Relevante informatie
- Art. 17 lid 2 WOZ
Inhoudsindicatie
Wet Woz. Waardevaststelling bedrijfspand.
Uitspraak
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 21/01043
uitspraakdatum: 2 augustus 2022
Uitspraak van de vierde enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats1] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 7 juli 2021, nummer UTR 19/3658 en 19/3720, in het geding tussen belanghebbende,
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar)
en
de Staat der Nederlanden (de Minister voor Rechtsbescherming; hierna: de Staat)
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 7B te [woonplaats1] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2018 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2019 vastgesteld op € 138.000.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2022. Daarbij zijn verschenen en gehoord D.A.N. Bartels, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam2] , taxateur.
2 Vaststaande feiten
De onroerende zaak is een in 2003 gebouwde niet-woning met werkruimte en kantoor.
3 Geschil
In geschil is of de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak te hoog heeft vastgesteld. Daarnaast is de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade voor de procedure in bezwaar en beroep in geschil.
Belanghebbende bepleit een lagere waarde, namelijk € 131.000, en de heffingsambtenaar bepleit de handhaving van de vastgestelde waarde.