Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 02-08-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:6855, 21/00889 t/m 21/00891

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 02-08-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:6855, 21/00889 t/m 21/00891

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
2 augustus 2022
Datum publicatie
19 augustus 2022
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2022:6855
Zaaknummer
21/00889 t/m 21/00891
Relevante informatie
Art. 116 aanhef en onderdeel b Wschw, Art. 122c aanhef en onderdeel i Wschw

Inhoudsindicatie

Zuiveringsheffing. Kamerverhuur. Woonruimte of bedrijfsruimte?

Uitspraak

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 21/00889, 21/00890 en 21/00891

uitspraakdatum: 2 augustus 2022

Uitspraak van de vierde enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats1] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 4 juni 2021, nummer UTR 19/3713, UTR 19/3716 en UTR 19/3717, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2017 en 2018 een aanslag in de zuiveringsheffing opgelegd. Voor het jaar 2019 heeft hij een voorlopige aanslag in de zuiveringsheffing opgelegd.

1.2.

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de aanslagen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2022. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, bijgestaan door zijn echtgenote, en [naam1] namens de heffingsambtenaar. Van de zitting is een proces-verbaal gemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de woning aan de [adres1] in [woonplaats1] (hierna: de onroerende zaak). Het betreft een tussenwoning van vier verdiepingen met tuin in een woonwijk. De vierde verdieping is in 2012 toegevoegd aan de onroerende zaak. Op elke verdieping is een toilet. Op de begane grond is een kamer met een kitchenette en een badkamer. Op de eerste verdieping is een leefkeuken, die door de bewoners ook als samenkomstruimte wordt gebruikt en een kamer. Op de tweede verdieping zijn twee kamers en een badkamer en op de vierde verdieping zijn er twee kamers. Bij de voordeur van de onroerende zaak is een bellenbord geplaatst. Elke kamer heeft een eigen deurbel, zodat een bezoeker/bezorger de juiste bewoner kan attenderen op zijn komst. De tuin is in gemeenschappelijk gebruik.

2.2.

In de woning verblijven op dit moment zes werkende jongeren die van alle keukens, badkamers en toiletten gebruik mogen maken. Met elke bewoner is een huurcontract afgesloten, waarbij belanghebbende en de huurder zijn overeengekomen welke kamer die huurder mag gebruiken.

2.3.

Vanaf het jaar 2015 merkt de heffingsambtenaar de onroerende zaak aan als een bedrijfsruimte als bedoeld in 1, onder i van de Verordening zuiveringsheffing Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2017 (hierna: de Verordening). In dat jaar is een aanslag naar drie vervuilingseenheden opgelegd, omdat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat de vervuilingswaarde minder dan vijf vervuilingseenheden bedraagt.

2.4.

Het waterverbruik in 2017 is 271 m3, waarmee volgens bijlage 2 bij de Verordering de coëfficiënt van huishoudelijk afvalwater 0,023 (klasse 8) bedraagt. Hierbij horen 6,2 vervuilingseenheden.

2.5.

Het waterverbruik in 2018 is 251 m3, waarmee de coëfficiënt van huishoudelijk afvalwater 0,023 (klasse 8) bedraagt. Hierbij horen 5,7 vervuilingseenheden.

2.6.

Het waterverbruik in 2019 heeft de heffingsambtenaar geschat. Hij gaat uit van de coëfficiënt van huishoudelijk afvalwater 0,023 (klasse 8). De heffingsambtenaar heeft het aantal vervuilingseenheden op 6 geschat.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de onroerende zaak als bedrijfsruimte of als woonruimte in de zin van de Waterschapswet en de Verordening moet worden aangemerkt. Daarnaast is in geschil of de zuiveringsheffing in strijd met de redelijkheid en billijkheid van de wet wordt geheven.

3.2.

Belanghebbende is van mening dat er sprake is van een woonruimte en dat de heffing in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat sprake is van een bedrijfsruimte en dat hij terecht heeft geheven.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing