Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 06-09-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:7638, 21/00914

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 06-09-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:7638, 21/00914

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
6 september 2022
Datum publicatie
16 september 2022
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2022:7638
Zaaknummer
21/00914
Relevante informatie
Art. 17 lid 3 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ

Inhoudsindicatie

Wet Woz. Waardevaststelling kinderdagverblijf.

Uitspraak

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 21/00914

uitspraakdatum: 6 september 2022

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

Stichting [belanghebbende] te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 14 juni 2021, nummer Awb 20/851, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van het Gemeentelijk Belastingkantoor Twente (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] te [plaats] , per waardepeildatum 1 januari 2018 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2019 vastgesteld op € 455.000. Tegelijk met die beschikking zijn een aanslag onroerendezaakbelasting eigenaar niet-woning (OZBE) van € 2.116,20 en een aanslag onroerendezaakbelasting gebruiker niet-woning (OZBG) van € 1.741,28 opgelegd.

1.2.

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraken op bezwaar de beschikking en de aanslagen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2022. Daarbij zijn verschenen en gehoord A. van den Dool, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [de taxateur1] (taxateur). Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak [adres1] te [plaats] (hierna: de onroerende zaak). De onroerende zaak betreft een in 1998 gebouwd kinderdagverblijf (crèche en peuterspeelzaal). De totale oppervlakte van het kinderdagverblijf (hierna: het hoofdgebouw) is 720 m2 (566 m2 op de begane grond en 154 m2 op de eerste etage). De bijgebouwen betreffen een fietsenstalling en een aangebouwde berging met een oppervlakte van respectievelijk 15 m2 en 21 m2. De oppervlakte van de infrastructuur en het perceel is respectievelijk 200 m2 en 1.020 m².

2.2.

Van de onroerende zaak is geen op of rond de peildatum gerealiseerde verkoopprijs bekend.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum 1 januari 2018 op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. In het bijzonder is in geschil: (i) of aanleiding bestaat voor een correctie wegens functionele veroudering, en - in het kader van de toegepaste correctie wegens technische veroudering - (ii) de restwaarde van het hoofdgebouw en (iii) de levensduur van de installaties in het hoofdgebouw.

3.2.

Belanghebbende bepleit een waarde van € 381.000 en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vermindering van de bij beschikking vastgestelde waarde. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.3.

Beide partijen hebben voor hun standpunt voorts aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing