Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 08-11-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9461, 21/00731
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 08-11-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9461, 21/00731
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 8 november 2022
- Datum publicatie
- 18 november 2022
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2021:2063, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 21/00731
- Relevante informatie
- Art. 17 lid 2 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 7:15 Awb, Art. 3 BPB
Inhoudsindicatie
Wet Woz. Proceskostenvergoeding bezwaar.
Uitspraak
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 21/00731
uitspraakdatum: 8 november 2022
Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de heffingsambtenaar van de Regionale Belastingsamenwerking Deventer, Olst-Wijhe en Raalte (hierna: de heffingsambtenaar)
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 21 mei 2021, nummer Awb 20/2323, in het geding tussen de heffingsambtenaar en
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft ten aanzien van belanghebbende bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 4 te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) voor het jaar 2020 vastgesteld. Tegelijk met deze beschikking is een aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) opgelegd.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking en de aanslag verlaagd. Daarbij heeft de heffingsambtenaar een proceskostenvergoeding toegekend.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 21 september 2022. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. L.H.G.M. Driessen als de gemachtigde van belanghebbende en namens de heffingsambtenaar [naam1] , bijgestaan door [naam2] . Met instemming van partijen zijn gezamenlijk behandeld de zaken met nummers 21/00721 tot en met 21/00747, 21/01531 tot en met 21/01533, 21/01554 tot en met 21/01561, 21/01715 tot en met 21/01724, en 22/00519. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.
2 Vaststaande feiten
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak voor het jaar 2020 vastgesteld.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen die beschikking. Daarbij heeft belanghebbende de heffingsambtenaar verzocht om overlegging van de grondstaffel als aan het bezwaar niet volledig tegemoet wordt gekomen. Ook heeft belanghebbende verzocht om verstrekking van de taxatiekaart met daarop vermeld de KOUDV en liggingsfactoren (hierna: de KOUDV-factoren) van de onroerende zaak en de door de heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingsobjecten.
Belanghebbende heeft bij de aanvulling op het bezwaarschrift een taxatierapport overgelegd van [naam3] . Daarbij is een factuur overgelegd waarin staat beschreven: “Opname/inventarisatie/taxatierapport 2 uur” tegen een tarief van € 53. Inclusief omzetbelasting bedraagt de factuur € 128,26.
De heffingsambtenaar heeft de door belanghebbende gevraagde gegevens niet in de bezwaarfase verstrekt. Wel heeft de heffingsambtenaar – onder meer in de uitnodiging voor het hoorgesprek – aan belanghebbende kenbaar gemaakt dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken op het gemeentehuis ter inzage lagen, en dat belanghebbende daarvoor desgewenst een afspraak kon maken. Belanghebbende heeft van het inzagerecht geen gebruik gemaakt.
Partijen hebben op 28 mei 2020 en 29 mei 2020 hoorgesprekken met elkaar gevoerd over 281 bezwaarschriften, waaronder het bezwaar tegen de onderhavige beschikking. In totaal zijn 61 bezwaren gegrond verklaard.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar gegrond verklaard en een proceskostenvergoeding van € 325,13 toegekend, bestaande uit 1 punt voor het bezwaarschrift met een waarde van € 261 per punt, en € 64,13 voor het door belanghebbende overgelegde taxatierapport, te weten 1 uur x € 53, verhoogd met 21% omzetbelasting.
De vergoeding voor het taxatierapport is gebaseerd op beleid van de heffingsambtenaar, namelijk de ‘Beleidsregel proceskosten “Toepassing wegingsfactoren en taxatietarieven 2017”. In artikel 8 van dat beleid is bepaald:
“Artikel 8. Toe te kennen uren voor de deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht:
Het aantal uren voor een deskundigenverslag bedraagt voor het uitbrengen van een taxatie:
-op basis van een administratief taxatierapport: 1;
-van woningen bij een inpandige opname: 4,
-van woningen bij een niet-inpandige opname: 2.
- (…)”
In de ‘Toelichting op de Beleidsregel proceskosten toepassing wegingsfactoren en taxatietarieven 2017’ is betreffende (onder meer) artikel 8 het volgende opgenomen:
“Artikel 6, 7 en 8 Vergoeding kosten deskundige die een taxatieverslag heeft opgesteld
De kostenvergoeding is zo veel als mogelijk in overeenstemming met de richtlijnen die de gerechtshoven en rechtbanken hebben opgesteld. (…) Onder een administratief taxatierapport wordt verstaan dat er geen uitpandige of inpandige taxatie heeft plaatsgevonden en dat het waardeoordeel is gebaseerd op administratieve gegevens. Verder bevat een administratief taxatierapport een groot aantal standaardoverwegingen en slechts beperkte informatie toegespitst op het object in kwestie.”
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, overwegende dat de proceskostenvergoeding voor het taxatierapport te laag is vastgesteld. De Rechtbank heeft de uitspraak op bezwaar vernietigd voor zover het de proceskostenvergoeding voor het taxatierapport betreft, en de proceskostenvergoeding vastgesteld op € 128,26 voor het door belanghebbende ingebrachte taxatierapport (2 uur x € 53, vermeerderd met 21% omzetbelasting). Voorts is een proceskostenvergoeding voor het beroep toegekend en heeft de Rechtbank bepaald dat de heffingsambtenaar het griffierecht dient te vergoeden.
De heffingsambtenaar heeft hoger beroep ingesteld.
3 Geschil
In geschil is:
- -
-
of de heffingsambtenaar de proceskostenvergoeding voor het taxatierapport te laag heeft vastgesteld;
- -
-
of de wegingsfactor voor de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase op 0,5 moet worden gesteld.
De heffingsambtenaar beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de tweede bevestigend. Belanghebbende neemt steeds het tegengestelde standpunt in.