Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 08-11-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9470, 21/00740

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 08-11-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9470, 21/00740

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
8 november 2022
Datum publicatie
18 november 2022
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2022:9470
Formele relaties
Zaaknummer
21/00740
Relevante informatie
Art. 17 lid 2 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 3:2 Awb, Art. 7:2 Awb, Art. 2 BPB, Art. 3 BPB

Inhoudsindicatie

Wet Woz. Proceskostenvergoeding bezwaar.

Uitspraak

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 21/00740

uitspraakdatum: 8 november 2022

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de Regionale Belastingsamenwerking Deventer, Olst-Wijhe en Raalte (hierna: de heffingsambtenaar)

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 21 mei 2021, nummer Awb 21/116, in het geding tussen de heffingsambtenaar en

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft ten aanzien van belanghebbende bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 56 te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) voor het jaar 2020 vastgesteld. Tegelijk met deze beschikking is een aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) opgelegd.

1.2.

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking en de aanslag verlaagd. Daarbij heeft de heffingsambtenaar een proceskostenvergoeding toegekend.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.

1.4.

De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 21 september 2022. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. L.H.G.M. Driessen als de gemachtigde van belanghebbende en namens de heffingsambtenaar [naam1] , bijgestaan door [naam2] . Met instemming van partijen zijn gezamenlijk behandeld de zaken met nummers 21/00721 tot en met 21/00747, 21/01531 tot en met 21/01533, 21/01554 tot en met 21/01561, 21/01715 tot en met 21/01724, en 22/00519. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak voor het jaar 2020 vastgesteld.

2.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen die beschikking. Daarbij heeft belanghebbende de heffingsambtenaar verzocht om overlegging van de grondstaffel als aan het bezwaar niet volledig tegemoet wordt gekomen. Ook heeft belanghebbende verzocht om verstrekking van de taxatiekaart met daarop vermeld de KOUDV en liggingsfactoren (hierna: de KOUDV-factoren) van de onroerende zaak en de door de heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingsobjecten.

2.3.

De heffingsambtenaar heeft de door belanghebbende gevraagde gegevens niet in de bezwaarfase verstrekt. Wel heeft de heffingsambtenaar – onder meer in de uitnodiging voor het hoorgesprek – aan belanghebbende kenbaar gemaakt dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken op het gemeentehuis ter inzage lagen, en dat belanghebbende daarvoor desgewenst een afspraak kon maken. Belanghebbende heeft van het inzagerecht geen gebruik gemaakt.

2.4.

Partijen hebben op 28 mei 2020 en 29 mei 2020 hoorgesprekken met elkaar gevoerd over 281 bezwaarschriften, waaronder het bezwaar tegen de onderhavige beschikking. In totaal zijn 61 bezwaren gegrond verklaard.

2.5.

De heffingsambtenaar heeft het bezwaar gegrond verklaard en een proceskostenvergoeding van € 291 toegekend, bestaande uit 1 punt voor het bezwaarschrift met een waarde van € 261 per punt, 1 punt voor het hoorgesprek met een waarde van € 30 per punt.

2.6.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, overwegende dat de proceskostenvergoeding voor het hoorgesprek en het taxatierapport te laag is vastgesteld. De Rechtbank heeft de uitspraak op bezwaar vernietigd voor zover het de proceskostenvergoeding betreft, en de proceskostenvergoeding vastgesteld op € 530 voor rechtsbijstand (1 punt bezwaarschrift, 1 punt hoorzitting, waarde per punt € 265, wegingsfactor 1). Voorts is een proceskostenvergoeding voor het beroep toegekend en heeft de Rechtbank bepaald dat de heffingsambtenaar het griffierecht dient te vergoeden.

2.7.

De heffingsambtenaar heeft hoger beroep ingesteld.

3 Geschil

3.1.

In geschil is:

-

of de heffingsambtenaar de proceskostenvergoeding voor het hoorgesprek te laag heeft vastgesteld;

-

of de wegingsfactor voor de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase op 0,5 moet worden gesteld.

De heffingsambtenaar beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de tweede bevestigend. Belanghebbende neemt steeds het tegengestelde standpunt in.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing