Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14-02-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:1272, 21/00925
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14-02-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:1272, 21/00925
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 14 februari 2023
- Datum publicatie
- 24 februari 2023
- Zaaknummer
- 21/00925
- Relevante informatie
- Art. 17 lid 2 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ
Inhoudsindicatie
Wet Woz. Waardevaststelling woning.
Uitspraak
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 21/00925
uitspraakdatum: 14 februari 2023
Uitspraak van de eerste enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de erven [belanghebbenden] te [woonplaats] (hierna: belanghebbenden)
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel 15 juni 2021, nummer Awb 20/2049, in het geding tussen belanghebbenden en
de heffingsambtenaar van het Gemeenschappelijk Belastingkantoor Lococensus-Tricijn (GBLT) (hierna: de heffingsambtenaar)
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 29 februari 2020 ten aanzien van belanghebbende de WOZ-waarde van de onroerende zaak [adres1] 9 te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) voor het kalenderjaar 2020, naar waardepeildatum 1 januari 2019, vastgesteld op € 353.000. Tegelijk met deze beschikking zijn de aanslagen onroerendezaakbelasting 2020 (OZB), watersysteemheffing 2020 en rioolheffing 2020 aan belanghebbende opgelegd.
Na daartegen gemaakte bezwaren, heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar, de beschikking en (impliciet) de aanslagen gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen de uitspraken met betrekking tot de WOZ-beschikking en aanslag OZB in beroep gekomen bij de rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank).
De Rechtbank heeft bij uitspraak van 15 juni 2021 het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft bij brief van 26 juli 2021, door het Hof ontvangen op 28 juli 2021, tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift in hoger beroep bij het Hof ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2023. Namens belanghebbende is verschenen [naam1] van [naam2] . Namens de heffingsambtenaar is verschenen [naam3] , bijgestaan door taxateur [naam4] .
2 Feiten
Belanghebbenden zijn eigenaar van de onroerende zaak. Het betreft een in 1988 gebouwde zogenoemde twee-onder-één kap semi-bungalow met carport. De woning heeft een inhoud van 360 m3. De perceeloppervlakte bedraagt 235 m².
De heffingsambtenaar heeft de onroerende zaak in verband met de toen geldende maatregelen van de corona-crises niet inpandig opgenomen.
Op 29 oktober 2020 heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbenden per e-mail vragen gesteld omtrent de staat van de onroerende zaak. Belanghebbenden hebben de vragen in een e-mail van eveneens 29 oktober 2020 beantwoord. Daarbij is onder meer aangegeven dat de badkamer dateert uit 1988, de c.v.-ketel dateert uit 2005 en het binnen-schilderwerk voor het laatst rond 2000 heeft plaats gevonden.
3 Geschil
In geschil is of de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Belanghebbenden beantwoorden deze vraag bevestigend, de heffingsambtenaar ontkennend.
Belanghebbenden staan in hoger beroep primair een waarde voor van € 308.000. De heffingsambtenaar verdedigt de vastgestelde waarde van € 353.000. Ter staving daarvan wijst de heffingsambtenaar op een ingebracht taxatierapport van 29 oktober 2020 opgesteld door [naam4] , registertaxateur, met bijbehorende taxatiematrix, waarin de waarde is getaxeerd op € 354.000.
Belanghebbenden concluderen tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de heffingsambtenaar en tot vermindering van de vastgestelde waarde. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.