Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14-02-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:1305, 21/01693

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14-02-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:1305, 21/01693

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14 februari 2023
Datum publicatie
24 februari 2023
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2023:1305
Formele relaties
Zaaknummer
21/01693
Relevante informatie
Art. 16 Wet WOZ, Art. 17 lid 2 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ

Inhoudsindicatie

Wet Woz. Objectafbakening. Proceskostenvergoeding.

Uitspraak

locatie Arnhem

nummer 21/01693

uitspraakdatum: 14 februari 2023

Uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 5 november 2021, nummer UTR 20/2149, ECLI:NL:RBMNE:2021:5963, in het geding tussen belanghebbende en

de Heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht (BGHU) (hierna: de Heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 30 april 2018 de waarde van de onroerende zaak [adres1] 103 te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) voor het kalenderjaar 2018, naar waardepeildatum 1 januari 2017, vastgesteld op € 995.000.

1.2.

De Heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 maart 2020 de vastgestelde waarde gehandhaafd. De uitspraak is op 27 maart 2020 aan belanghebbende verzonden.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen. De rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) heeft bij uitspraak van 5 november 2021 het beroep ongegrond verklaard en in verband met het overschrijden van de redelijke termijn een immateriële schadevergoeding toegekend van € 1.500. Verder heeft de Rechtbank een proceskostenvergoeding toegekend van € 534 en de Heffingsambtenaar veroordeeld het geheven griffierecht te betalen van € 48.

1.4.

Belanghebbende heeft op 1 december 2021 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Daarvoor is een griffierecht betaald van € 134.

1.5.

De Heffingsambtenaar heeft op 18 mei 2022 een verweerschrift bij het Hof ingediend.

1.6.

Belanghebbende heeft op 13 januari 2023 een nader stuk ingediend.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2023. Namens belanghebbende is verschenen [naam1] . Namens de Heffingsambtenaar zijn verschenen [naam2] en taxateurs [naam3] en [naam4] .

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. Het betreft een in 1682 gebouwde, vrijstaande woonboerderij, een paardenstal met zes boxen, een atelier/hobbyruimte uit 2006 met een oppervlakte van 55 m2 (hierna: het karnhuisje), een buitenbak/buitenmanege en een kapschuur. De gebruiksoppervlakte van de gebouwen bedraagt 380 m2 en de perceelsoppervlakte 52.655 m². De onroerende zaak is een landgoed dat is gerangschikt onder de Natuurschoonwet 1928 (verder: NSW).

2.2.

Het karnhuisje deelt een gedeelte van haar zijgevel met de woonboerderij en heeft een doorgang naar die woonboerderij. Daarnaast beschikt het over een eigen voordeur.

2.3.

Belanghebbende heeft de onroerende zaak in 2014/2015 te koop aangeboden. De laatst bekende vraagprijs is € 2.825.000 (per 7 september 2015).

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de Heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Heffingsambtenaar ontkennend.

3.2.

Ter zitting heeft belanghebbende uitdrukkelijk verklaard dat uitsluitend de volgende vragen voorliggen:

1) Is de objectafbakening juist, in het bijzonder of het karnhuisje tot het onderhavige WOZ-object behoort?

2) Heeft de Rechtbank de proceskostenvergoeding juist vastgesteld?

Voor het overige is de aan de onderdelen van de onroerende zaak toegekende waarde niet in geschil, zodat het Hof van de juistheid daarvan zal uitgaan.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak van de Heffingsambtenaar en tot vermindering van de vastgestelde waarde tot € 940.000, zijnde de vastgestelde waarde van € 995.000 verminderd met de aan het karnhuisje toegekende waarde van € 55.000. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing