Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23-05-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:4486, 22/01018 en 22/01019
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23-05-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:4486, 22/01018 en 22/01019
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 23 mei 2023
- Datum publicatie
- 2 juni 2023
- Zaaknummer
- 22/01018 en 22/01019
- Relevante informatie
- Art. 220a Gemw
Inhoudsindicatie
OZB. Woonzorgcentrum. Woning of niet-woning?
Uitspraak
Locatie Leeuwarden
nummers BK-ARN 22/01018 en 22/01019
uitspraakdatum: 23 mei 2023
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 11 april 2022, nummers LEE 20/1920 en LEE 20/1921 in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor te Groningen (hierna: de heffingsambtenaar)
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor de jaren 2018 en 2019 aanslagen in de onroerendezaakbelastingen (hierna: OZB) van de gemeente Groningen opgelegd.
De daartegen door belanghebbende gemaakte bezwaren zijn door de heffingsambtenaar bij uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen die uitspraken beroepen ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 18 april 2023 te Leeuwarden. Aldaar zijn verschenen: E.P. Hageman LLM en mr. M. Boonstra als de gemachtigden van belanghebbende alsmede [naam1] en [naam2] namens de heffingsambtenaar.
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht.
2 De vaststaande feiten
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres1] te [plaats1] (hierna: de onroerende zaak). De onroerende zaak is in gebruik als woonzorgcentrum voor mensen met een niet-aangeboren hersenafwijking. De onroerende zaak heeft zeven verdiepingen, inclusief de begane grond. De onroerende zaak bestaat uit woonappartementen, gemeenschappelijke ruimten (door belanghebbende als huis- en eetkamers aangeduid), personeelsruimten, recreatieruimten, opslag/magazijn, een fietsenstalling, een terras, parkeerplaatsen, algemene verkeersruimten (gangen, hallen, trappenhuis, liften) en ondergrond.
De heffingsambtenaar heeft ten aanzien van belanghebbende de waarde ingevolge de Wet waardering onroerende zaken voor het jaar 2018 (waardepeildatum 1 januari 2017) vastgesteld op € 11.105.000 en voor het jaar 2019 (waardepeildatum 1 januari 2018) op € 11.425.000. Deze WOZ-waarden staan (onherroepelijk) vast.
De heffingsambtenaar heeft voorts aan belanghebbende – als eigenaar – de onderhavige aanslagen OZB opgelegd. De aanslag voor 2018 beloopt een bedrag van € 54.758,75 en voor 2019 een bedrag van € 56.987,90. Bij het opleggen van deze aanslagen is de heffingsambtenaar ervan uitgegaan dat de onroerende zaak niet in hoofdzaak tot woning dient. Daartegen heeft belanghebbende bezwaar aangetekend, echter tevergeefs.
In beroep heeft de heffingsambtenaar een door taxateur [naam2] op 8 oktober 2020 opgesteld taxatierapport overgelegd. In dat rapport is de waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2017 getaxeerd op € 11.204.000 en per waardepeildatum 1 januari 2018 op 11.528.000. De waarde van de opstal, dus zonder de waarde van de grond, bedraagt volgens het taxatierapport op 1 januari 2017 € 10.047.034 en op 1 januari 2018 € 10.371.425. Uitgaande van die twee laatstgenoemde waarden heeft de taxateur, en in diens spoor de heffingsambtenaar, geconcludeerd dat, gelet op de waarden die volgens hen moeten worden toegerekend aan de ‘woondelen’ en aan de ‘niet-woondelen’, de onroerende zaak niet in hoofdzaak tot woning dient.
De Rechtbank heeft de heffingsambtenaar in het gelijk gesteld.
3 Het geschil
In hoger beroep is in geschil of de onroerende zaak in hoofdzaak tot woning dient als bedoeld in artikel 220a, lid 2, van de Gemeentewet. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en bepleit een vermindering van de onderhavige aanslagen tot aanslagen, berekend naar het zogenoemde woningtarief. Voor 2018 betekent dit, dat de aanslag OZB dient te worden verminderd tot € 17.967,89 (0,1618% x € 11.105.000) en voor 2019 tot € 19.422,50 (0,17% x € 11.425.000). De heffingsambtenaar beantwoordt de partijen verdeeld houdende vraag ontkennend en bepleit handhaving van de opgelegde aanslagen.