Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 06-06-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:4795, 22/00062
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 06-06-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:4795, 22/00062
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 6 juni 2023
- Datum publicatie
- 16 juni 2023
- Zaaknummer
- 22/00062
- Relevante informatie
- Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ
Inhoudsindicatie
Wet Woz. Waardevaststelling woning. Tarief OZB.
Uitspraak
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 22/00062
uitspraakdatum: 6 juni 2023
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 november 2021, nummer AWB 20/3010, ECLI:NL:RBGEL:2021:6205, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van het samenwerkingsverband Meerinzicht (hierna: de heffingsambtenaar)
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 82 te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2019, voor het jaar 2020 vastgesteld op € 371.000. Tegelijk met deze beschikking is de aanslag onroerendezaakbelasting 2020 (OZB) voor het eigenaarsgedeelte vastgesteld op € 485,27.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de vastgestelde waarde van de onroerende zaak en de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende is daartegen in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft daarna nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2023. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en [naam1] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam2] (taxateur). Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.
2 Vaststaande feiten
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. De onroerende zaak is gebouwd in 2012. Het betreft een maisonnette die is gelegen op de derde en vierde verdieping van een appartementencomplex. De onroerende zaak heeft een oppervlakte van 123 m2 en op de vierde verdieping een inpandig balkon van 11 m2. Bij de onroerende zaak hoort een in de parkeerkelder gelegen parkeerplaats van 12 m2 en berging van 6 m2.
De heffingsambtenaar heeft een taxatierapport van de onroerende zaak laten opstellen. In het taxatierapport van 21 oktober 2020 heeft [naam2] de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2019 getaxeerd op € 396.000. In de taxatiematrix bij het rapport staan de volgende referentieobjecten:
1. [adres1] 80 te [woonplaats] , een in hetzelfde complex gelegen maisonnette, bouwjaar 2012, oppervlakte 112 m2, balkon van 10 m2, in de parkeerkelder gelegen parkeerplaats van 12 m2 en berging van 6 m2, op 20 november 2018 (datum voorlopig koopcontract) verkocht voor € 339.000;
2. [adres1] 42 te [woonplaats] , een in hetzelfde complex gelegen appartement, bouwjaar 2012, oppervlakte 121 m2, balkon van 8 m2, in de parkeerkelder gelegen parkeerplaats van 12 m2 en berging van 6 m2, op 1 maart 2019 overgedragen voor € 442.500;
3. [adres2] 91 te [woonplaats] , een in een ander appartementencomplex gelegen maisonnette, bouwjaar 2005, oppervlakte 142 m2, dakterras van 12 m2, parkeerplaats van 12 m2, op 1 april 2019 overgedragen voor € 450.000.
3 Geschil
In geschil is of de heffingsambtenaar terecht de WOZ-waarde bij beschikking heeft vastgesteld en zo ja, of hij de waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2019 en de aanslag OZB 2020 te hoog heeft vastgesteld.