Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15-08-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6896, 22/00827 en 22/00828
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15-08-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6896, 22/00827 en 22/00828
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 15 augustus 2023
- Datum publicatie
- 25 augustus 2023
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2022:1264, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- 22/00827 en 22/00828
- Relevante informatie
- Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ
Inhoudsindicatie
Wet Woz. Proceskostenvergoeding.
Uitspraak
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 22/00827 en 22/00828
uitspraakdatum: 15 augustus 2023
Uitspraak van de eerste enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 30 maart 2022, nummers UTR 21/360 en UTR 21/361, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Rhenen (hierna: de heffingsambtenaar)
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 29 februari 2020 ten aanzien van belanghebbende de WOZ-waarde van de onroerende zaak [adres1] 62 te [woonplaats] (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2020, naar waardepeildatum 1 januari 2019, vastgesteld op € 455.000. Tegelijk met deze beschikking is de aanslag onroerendezaakbelasting 2020 (OZB) ten bedrage van € 578,30 aan belanghebbende opgelegd.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 29 februari 2020 ten aanzien van belanghebbende de WOZ-waarde van de onroerende zaak [adres1] 64 te [woonplaats] (hierna: het bedrijfspand) voor het kalenderjaar 2020, naar waardepeildatum 1 januari 2019, vastgesteld op € 41.000. Tegelijk met deze beschikking is de aanslag OZB 2020 ten bedrage van € 185,68 aan belanghebbende opgelegd.
De vastgestelde waarden en aanslagen OZB zijn op één biljet verenigd.
Na daartegen gemaakte bezwaren, heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar, de bij beschikking vastgestelde waarde voor de woning verminderd tot € 398.000, de waarde voor het bedrijfspand tot € 31.000 en de aanslagen OZB dienovereenkomstig verminderd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank MiddenNederland (hierna: de Rechtbank).
De Rechtbank heeft bij uitspraak van 30 maart 2022 het beroep ongegrond verklaard, geoordeeld dat geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling en de heffingsambtenaar vervolgens veroordeeld tot het betalen van een vergoeding aan belanghebbende van € 500 in verband met door belanghebbende geleden immateriële schade.
Belanghebbende heeft op 18 april 2022 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift in hoger beroep bij het Hof ingediend. Belanghebbende heeft nadien nadere stukken ingebracht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2023. Namens belanghebbende is verschenen mr. D.A.N. Bartels. Namens de heffingsambtenaar is verschenen [naam1] (taxateur). Na de mondelinge behandeling heeft het Hof het onderzoek gesloten.
2 Feiten
De woning is een in 1929 gebouwde rijwoning met een kelder. De woning heeft een inhoud van ongeveer 520 m3 en ligt op een kavel van 254 m2. Het bedrijfspand is in 1930 gebouwd en heeft een oppervlakte van ongeveer 39 m2.
3 Geschil
Belanghebbende heeft een aantal, deels formele, grieven naar voren gebracht, doch ter zitting van het Hof uitdrukkelijk en ondubbelzinnig verklaard te kunnen instemmen met de in de uitspraak op bezwaar voor de woning en het bedrijfspand door de heffingsambtenaar vastgestelde waarden op waardepeildatum van € 398.000 respectievelijk € 31.000.
Belanghebbende heeft in hoger beroep het geschil beperkt tot zijn grief dat de Rechtbank in haar, in hoger beroep bestreden, uitspraak aan belanghebbende wel een door de heffingsambtenaar aan hem te betalen vergoeding voor geleden immateriële schade heeft toegekend, zonder evenwel de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende en evenmin tot terugbetaling van het door belanghebbende bij de Rechtbank betaalde griffierecht.
Belanghebbende concludeert – zo begrijpt het Hof belanghebbende – tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover het betreft de beslissingen van de Rechtbank met betrekking tot de proceskostenvergoeding en het griffierecht. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.