Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15-08-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6898, 22/01662 en 22/01712

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15-08-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6898, 22/01662 en 22/01712

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15 augustus 2023
Datum publicatie
25 augustus 2023
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2023:6898
Zaaknummer
22/01662 en 22/01712
Relevante informatie
Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ

Inhoudsindicatie

Wet Woz. Waardevaststelling winkelpand. Immateriële schadevergoeding.

Uitspraak

locatie Arnhem

nummers BK-ARN 22/01662 en 22/01712

uitspraakdatum: 15 augustus 2023

Uitspraak van de vijfde enkelvoudige belastingkamer

op de (incidentele) hoger beroepen van

[belanghebbende] B.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Hilversum (hierna: de heffingsambtenaar)

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 mei 2022, nummer UTR 21/50, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 19 te [vestigingsplaats] , per waardepeildatum 1 januari 2019 en naar de toestand op die datum, voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 3.565.000 (hierna: de beschikking). Tegelijk met de beschikking is de aanslag onroerendezaakbelasting 2020 voor zover het betreft het gebruikersgedeelte vastgesteld op € 6.288,66 (hierna: de aanslag).

1.2.

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift verenigde uitspraken op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen. De rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) heeft bij uitspraak van 23 mei 2022 het beroep ongegrond verklaard, de heffingsambtenaar veroordeeld tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 500. Verder heeft de Rechtbank een proceskostenvergoeding toegekend van € 541 en de heffingsambtenaar opgedragen het betaalde griffierecht van € 354 te vergoeden.

1.4.

De heffingsambtenaar en belanghebbende hebben tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.5.

Belanghebbende heeft op 2 maart 2023 en 26 juli 2023 nadere stukken ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft via beeldbellen plaatsgevonden op 2 augustus 2023. De zaken met de nummers BK-ARN 22/01661, 22/01662, 22/01712 en 22/01713 zijn ter zitting gezamenlijk behandeld. Namens belanghebbende is verschenen mr. D.A.N. Bartels MRE. Namens de heffingsambtenaar zijn verschenen [naam1] en [naam2] , taxateur.

1.7.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

Belanghebbende is gebruiker van de onroerende zaak. Het betreft een winkelpand, bouwjaar 2017, met in totaal 1.063 m² aan winkelruimte (begane grond 338 m²; eerste verdieping 725 m²). De door belanghebbende te betalen huur is omzetafhankelijk.

3 Het geschil en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is of de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum te hoog is vastgesteld en of de Rechtbank terecht een immateriëleschadevergoeding van € 500 heeft toegekend.

3.2.

Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag bevestigend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vermindering van de beschikking tot € 1.543.000 en dienovereenkomstige vermindering van de aanslag. Belanghebbende beantwoordt de tweede vraag eveneens bevestigend.

3.3.

De heffingsambtenaar beantwoordt de eerste vraag ontkennend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank en de tweede vraag ontkennend.

3.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat, als belanghebbende in aanmerking komt voor een proceskostenvergoeding, zij op grond van het arrest van 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752, recht heeft op de hogere waarde per punt en dat belanghebbende in eerste aanleg niet heeft verzocht om vergoeding van rente over de immateriëleschadevergoeding, de proceskostenvergoeding en het griffierecht.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing