Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12-09-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:7704, 21/01600

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12-09-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:7704, 21/01600

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12 september 2023
Datum publicatie
22 september 2023
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2023:7704
Formele relaties
Zaaknummer
21/01600
Relevante informatie
Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ

Inhoudsindicatie

Wet Woz. Waardevaststelling woning.

Uitspraak

locatie Arnhem

nummer 21/01600

uitspraakdatum: 12 september 2023.

Uitspraak van de vierde enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 september 2021, nummer UTR 21/784, ECLI:NL:RBMNE:2021:4741, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht (BGHU) (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 29 februari 2020 de waarde van de onroerende zaak [adres1] 63 te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) voor het kalenderjaar 2020, naar waardepeildatum 1 januari 2019, vastgesteld op € 484.000.

1.2.

De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 januari 2021 de vastgestelde waarde van de onroerende zaak gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen. De rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) heeft bij uitspraak van 23 september 2021 het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft op 4 november 2021 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het hogerberoepschrift heeft hij gemotiveerd per brieven van 28 februari 2022 en 6 mei 2022.

1.5.

De heffingsambtenaar heeft op 27 juni 2022 een verweerschrift bij het Hof ingediend.

1.6.

Belanghebbende heeft op 19 mei 2023 een nader stuk ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft digitaal plaatsgevonden op 1 juni 2023. Namens belanghebbende is verschenen [naam1] . Namens de heffingsambtenaar zijn verschenen [naam2] en taxateur [naam3] .

2 Feiten

2.1.

De onroerende zaak betreft een in 2003 gebouwde bovenwoning met een oppervlakte van 118 m2, een berging, een eigen parkeerplek en een dakterras van 22 m2. De perceeloppervlakte bij de onroerende zaak bedraagt 25 m2. Belanghebbende is via een erfpachtrecht gerechtigd tot dit perceel.

2.2.

De benedenverdieping van de woning bestaat uit de toegang tot de woning, een toilet en een trap naar het woongedeelte. Het woongedeelte bevindt zich (grotendeels) boven een, met een hek afgesloten, weg. De weg behoort kadastraal toe aan de gemeente Utrecht. Voor de woning is ten behoeve van belanghebbende een recht van opstal gevestigd in verband met de (gedeeltelijke) bebouwing boven het perceel van de gemeente Utrecht.

2.3.

Belanghebbende heeft de koopovereenkomst van de onroerende zaak gesloten op 25 oktober 2016 voor € 363.000. De akte van levering is gepasseerd op 1 maart 2017.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de heffingsambtenaar ontkennend.

3.2.

Belanghebbende staat in hoger beroep een waarde voor van € 421.000. De heffingsambtenaar verdedigt de vastgestelde waarde van € 484.000. Beide partijen hebben ter staving van de door hen verdedigde waarden taxatierapporten ingebracht.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak van de heffingsambtenaar en tot vermindering van de vastgestelde waarde tot € 421.000. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing