Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26-09-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:8243, 22/2324

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26-09-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:8243, 22/2324

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26 september 2023
Datum publicatie
6 oktober 2023
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2023:8243
Zaaknummer
22/2324
Relevante informatie
Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ

Inhoudsindicatie

Wet Woz. Waardevaststelling woning.

Uitspraak

locatie Leeuwarden

nummer BK-ARN 22/2324

uitspraakdatum: 26 september 2023

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 7 oktober 2022, nummer LEE 21/266, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Ameland (hierna: de heffingsambtenaar).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 21 te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2019 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2020 vastgesteld op € 332.000. Op hetzelfde aanslagbiljet zijn aan belanghebbende bekendgemaakt de onroerendezaakbelasting eigenaar, de aanslag afvalstoffenheffing kamerverhuur/vakantieverblijf, de aanslag Afvalstoffenheffing meerpersoonshuishouden en de aanslag rioolheffing gebruiker.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraken op bezwaar de vastgestelde waarde en de bestreden aanslagen gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft bij uitspraak van 7 oktober 2022 het beroep gegrond verklaard, het verzoek om immateriële schadevergoeding toegewezen, de Minister van Justitie en Veiligheid veroordeeld tot het betalen van een immateriële

schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 250, de heffingsambtenaar veroordeeld tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 250, de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en de heffingsambtenaar opgedragen het betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2023 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord A, van den Dool, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam2] , taxateur, namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam3] .

1.6

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

De onroerende zaak bestaat uit een in 2007 gebouwde vrijstaande woning met een dakkapel en een berging. De inhoud van de woning is 381 m³ en de kaveloppervlakte is 425 m². Tot de onroerende zaak behoort een aan de woning gebouwd recreatieverblijf. Hiervan is de inhoud 84 m³.

2.2

Het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank bevat onder meer de volgende passages (waarbij met R de rechter en met L de gemachtigde van belanghebbende wordt bedoeld):

R: Er wordt met smart op de Hoge Raad gewacht. Wat betreft de gronden over de grondstaffel en het indexeringspercentage, kunnen we die uit proceseconomisch oogpunt zien als subsidiair? Als het beroep gegrond is qua formaliteiten (artikel 40 Wet WOZ) kan een oordeel over de andere gronden in het midden worden gelaten?

L: Ja, die gronden kunnen dan als subsidiair worden gezien.

2.3

In de bestreden uitspraak heeft de Rechtbank – kort gezegd – belanghebbende in het gelijk gesteld voor wat betreft zijn beroep op het ten onrechte in de bezwaarfase niet overleggen van alle relevante stukken en ten aanzien van de subsidiaire stellingen van belanghebbende overwogen dat deze geen behandeling meer behoeven.

2.4

Het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank bevat voorts onder meer de volgende passages (waarbij met R de rechter, met V de heffingsambtenaar en met L de gemachtigde van belanghebbende wordt bedoeld):

L: Vanuit onze taxateur zijn er nog 2 punten over de matrix. De gemiddelde kuubprijs van de 3 referenties is € 462. Dat wijkt af van € 527 als kuubprijs voor het onderhavige object Hoe is dat mogelijk en hoe is rekening gehouden met bouwjaar, grootte en de KOUDV-factoren? Normaal gesproken is er een 3e blad bij de matrix. Daarop zijn de kenmerken opgesomd en is inzichtelijk gemaakt hoe rekenkundig met de verschillen rekening is gehouden. Nu is dat niet te herleiden en is niet te verklaren waarom het gemiddelde van de referenties lager is dan de prijs per eenheid van de woning in geschil.

R: Er staan opmerkingen in de matrix over bepaalde percentages met betrekking tot de kwaliteit en de inhoud, bedoelt u dat?

L: Ik denk dat het niet is uitgewerkt in de prijs. Er zijn percentages genoemd, maar dat is niet nader uitgewerkt en ook niet te controleren.

R: Is dat eenvoudig zelf te doen?

L: Dat had onze taxateur kunnen doen

V: Ik heb het ook zelf nagerekend. Aan de hand van kuubprijs en bouwjaar is er een correctie van 112 % voor de inhoud.

R: Is deze uitleg voldoende of blijft u bij uw punt L?

L: Het is zo voldoende, onze taxateur had het kunnen zien. Verder is er sprake van een recreatieverblijf met een hogere kuubprijs, maar is niet duidelijk waarom de prijs hoger is.

V: Dat is ook in het verweerschrift opgenomen. De woning is dan couranter, want deze is makkelijker te verhuren. Rondom de waardepeildatum waren er weinig woningen met een

dergelijk verblijf. Met de prijs per eenheid kom je goed rond de verkoopprijzen

R: Is deze uitleg voldoende L?

L: Het klinkt aannemelijk, hoewel je het ook anders kunt bekijken. Maar gezien de te realiseren opbrengsten klinkt het niet onreëel en ik laat het daarbij voor wat betreft deze grond.”.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum te hoog heeft vastgesteld.

3.2

Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de beschikte waarde tot op € 304.000 en, voor zover aan de orde, dienovereenkomstige vermindering van de opgelegde aanslagen.

3.3

De heffingsambtenaar beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vraag ontkennend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4 Beoordeling van het geschil

5 Proceskosten en griffierecht

6 Beslissing