Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 03-10-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:8385, 22/1059

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 03-10-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:8385, 22/1059

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
3 oktober 2023
Datum publicatie
13 oktober 2023
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2023:8385
Zaaknummer
22/1059
Relevante informatie
Art. 228a Gemw

Inhoudsindicatie

Afvalstoffenheffing en rioolheffing. Gebruik.

Uitspraak

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 22/1059

uitspraakdatum: 3 oktober 2023

Uitspraak van de zevende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 april 2022, nummer AWB 20/4453, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de Gemeente Ede (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft voor het jaar 2019 een aanslag rioolheffing gebruiker, een aanslag afvalstoffenheffing vast gedeelte en een aanslag afvalstoffenheffing variabel gedeelte opgelegd.

1.2.

De heffingsambtenaar heeft de daartegen gerichte bezwaren bij in één geschrift vervatte uitspraken ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2023. Hieraan hebben deelgenomen: [naam1] , de echtgenoot van belanghebbende, alsmede [naam2] namens de heffingsambtenaar.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende woonde in 2019 en 2020 in [plaats1] . Zij is op 23 juli 2019 volledig eigenaar geworden van een woning aan de [adres1] 34A te [woonplaats] (de woning).

2.2.

Direct na 23 juli 2019 is een aannemer gestart met de verbouwing van de woning. De aannemer had een sleutel van de woning.

2.3.

De zus van belanghebbende was in 2019 woonachtig aan de [adres1] 34 te [woonplaats] . De contacten met de aannemer liepen in 2019 via haar.

2.4.

De aanslag afvalstoffenheffing variabel gedeelte ziet op twee aanbiedingen van huishoudelijk afval in een 140 liter kliko op respectievelijk 6 augustus en 10 december 2019.

2.5.

In de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar voor het belastingjaar 2019 van 7 juli 2020 staat onder meer:

“U stelt in uw bezwaarschrift dat het pand sinds juli 2019 onbewoonbaar is. Er zijn geen gas- en geen (afval/riool-) water aansluitingen meer aanwezig. U verzoekt mij de aanslag te vernietigen.

Uit de gegevens van de ACV blijkt dat er in de periode juli 2019 t/m december 2019 ledigingen zijn geweest op dit adres. Op basis van de BRP is er geen inschrijving bekend.

Ik ben van mening dat u terecht bent aangeslagen voor het gebruik van de woning. In een woning die leeg staat kunnen geen huishoudelijke afvalstoffen ontstaan.

Ik verklaar uw bezwaarschrift ongegrond.”

2.6.

De heffingsambtenaar heeft voor het belastingjaar 2020 ter zake van de woning ook aanslagen rioolheffing en afvalstoffenheffing aan belanghebbende opgelegd. Belanghebbende is daartegen opgekomen. In haar bezwaarschrift voor dat jaar schrijft zij:

“Het pand aan de [adres1] 34 A te [woonplaats] is v.a. juli 2019 onbewoonbaar. Sindsdien zijn er geen gas- en geen (afval/riool-) water aansluitingen meer aanwezig. De bouw ligt ook stil. Hopelijk zullen bovengenoemde voor bewoning noodzakelijke aansluitingen er voor het einde van dit jaar kunnen zijn.”

2.7.

In de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 16 juli 2020 voor het belastingjaar 2020 schrijft de heffingsambtenaar onder meer:

“Op basis van mijn gegevens is er sinds 01-02-2020 geen sprake meer van gebruik van dit object. Daarom vernietig ik deze aanslagregels.”

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de aanslag rioolheffing en de aanslagen afvalstoffenheffing voor het belastingjaar 2019 terecht aan belanghebbende zijn opgelegd.

3.2.

Het geschil spitst zich toe op de vragen of:

  1. belanghebbende de woning naar de omstandigheden beoordeeld in 2019 al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht heeft gebruikt;

  2. van het perceel water op de gemeentelijke riolering is afgevoerd (rioolheffing);

  3. sprake is van een perceel van waaruit geregeld huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan (afvalstoffenheffing);

  4. belanghebbende voor het belastingjaar 2019 vertrouwen kan ontlenen aan de uitspraak op bezwaar voor het belastingjaar 2020, waarin de heffingsambtenaar schrijft dat geen sprake is van gebruik.

3.3.

Ter zitting heeft belanghebbende aangegeven dat niet (langer) in geschil is dat het perceel tot bewoning dient, zodat het Hof daarvan uitgaat. Haar stelling dat sprake is van dubbele heffing heeft zij ter zitting ingetrokken, zodat het Hof zich daar niet over hoeft uit te laten.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing