Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10-10-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:8624, 22/910

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10-10-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:8624, 22/910

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10 oktober 2023
Datum publicatie
20 oktober 2023
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2023:8624
Zaaknummer
22/910
Relevante informatie
Art. 225 Gemw

Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. Proceskostenvergoeding bezwaarfase. Wegingsfactor.

Uitspraak

locatie Leeuwarden

nummer BK-ARN 22/910

uitspraakdatum: 10 oktober 2023

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende).

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 23 maart 2022, nummer LEE 21/2429, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 28 mei 2021 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd aan belanghebbende.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar van 5 juli 2021 heeft de heffingsambtenaar het tegen de naheffingsaanslag gemaakte bezwaar gegrond verklaard, de naheffingsaanslag vernietigd en een proceskostenvergoeding van € 132,50 toegekend.

1.3.

De Rechtbank heeft het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft door videobellen plaatsgevonden op 1 augustus 2023. Daarbij zijn verschenen en gehoord als gemachtigde van belanghebbende mr. A. Khadri, verbonden aan Verkeersboete.nl, en [naam1] , namens de heffingsambtenaar.

1.6.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Na het opleggen van de naheffingsaanslag heeft Verkeersboete.nl als de gemachtigde van belanghebbende daartegen een bezwaarschrift ingediend.

2.2.

Blijkens het verslag van het hoorgesprek is het bezwaarschrift aangevuld met de verklaring dat belanghebbende de scanauto tegenkwam waarbij hij de inzittende heeft aangesproken en dat hij heeft gevraagd of hij een boete kreeg waarop de inzittende aangaf dat als belanghebbende binnen 10 minuten een kaartje zou kopen hij geen boete zou krijgen.

2.3.

Overeenkomstig de tijdens de hoorzitting gemaakte afspraak heeft de gemachtigde van belanghebbende daarna een betaalbewijs toegestuurd waaruit blijkt dat de verschuldigde parkeerbelasting is betaald bij een parkeerautomaat.

2.4.

Bij zijn uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar belanghebbende een vergoeding van € 132,50 toegekend voor de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Blijkens de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar ter bepaling van dit bedrag onder meer een wegingsfactor van 0,25 (zeer licht) toegepast met als toelichting dat de inspanning van de beroepsmatige derde en de bewerkelijkheid van de zaak van zeer geringe omvang is.

3 Geschil

3.1.

In geschil is de hoogte van de door de heffingsambtenaar toegekende proceskostenvergoeding. Meer specifiek is in geschil of de heffingsambtenaar terecht een wegingsfactor van 0,25 heeft toegepast.

3.2.

Belanghebbende stelt zich, onder verwijzing naar het Richtsnoer Proceskostenvergoeding (hierna: het Richtsnoer)1 van de belastingkamers van de gerechtshoven, op het standpunt dat een wegingsfactor van 0,5 moet worden gehanteerd nu het geschil een parkeerbelastingzaak betreft en in die wegingsfactor is verdisconteerd dat sprake is van een standaardbezwaar. Ter zitting van de Rechtbank heeft de heffingsambtenaar bevestigd dat het Richtsnoer aanleiding heeft gegeven voortaan wegingsfactor licht (0,5) toe te passen, aldus belanghebbende.

3.3.

De heffingsambtenaar stelt dat sprake was van een eenvoudige zaak en dat terecht de wegingsfactor 0,25 (zeer licht) is toegepast. Volgens de heffingsambtenaar hoefde de gemachtigde van eiser in de bezwaarfase slechts een bewijsstuk van de betaling van de parkeerbelasting over te leggen, waarna de naheffingsaanslag is vernietigd. De door gemachtigde verrichte werkzaamheden zijn volgens de heffingsambtenaar minimaal geweest. Verder betwist de heffingsambtenaar dat hij ter zitting bij de Rechtbank zou hebben aangegeven dat voortaan een wegingsfactor van 0,5 wordt toegepast in alle parkeerbelastingzaken. Ter zitting bij de Rechtbank is aangegeven dat het Richtsnoer een handleiding kan zijn, maar dat in de bezwaarfase per individuele zaak wordt beoordeeld welke inspanning de rechtsbijstandverlener in de betreffende zaak heeft verricht en welke wegingsfactor alsdan van toepassing is, aldus de heffingsambtenaar.

3.4.

Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende zijn verzoek de zaak terug te wijzen naar de heffingsambtenaar laten varen.

4 Beoordeling van het geschil

5 Proceskosten en griffierecht