Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 07-11-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:9442, 22/563

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 07-11-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:9442, 22/563

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
7 november 2023
Datum publicatie
17 november 2023
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2023:9442
Zaaknummer
22/563
Relevante informatie
Art. 35 Wet MRB 1994, Art. 67c AWR

Inhoudsindicatie

MRB. Gebruik openbare weg tijdens schorsing kenteken. Verzuimboete.

Uitspraak

locatie Leeuwarden

nummer BK-ARN 22/563

uitspraakdatum: 7 november 2023

Uitspraak van de vijftiende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 18 februari 2022, nummer LEE 21/1952, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen (hierna: de Inspecteur).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende over de periode van 27 september 2018 tot en met 26 september 2019 een naheffingsaanslag opgelegd in de motorrijtuigenbelasting ten bedrage van € 2.348. Bij beschikking is daarbij een verzuimboete opgelegd van € 2.348.

1.2.

De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag en de boetebeschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank) De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 18 februari 2022 gegrond verklaard voor zover het ziet op de boetebeschikking, de boete verminderd tot een bedrag van € 587 en de Inspecteur opgedragen het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De

Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2023 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en namens de Inspecteur [naam1] .

1.6.

Belanghebbende heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende was volgens de kentekenregistratie van 6 november 2015 tot en met 21 augustus 2020 houder van een camper van het merk MAN met het kenteken [kenteken] (hierna: de camper). Op verzoek van belanghebbende is de geldigheid van het kenteken van de camper meerdere keren geschorst, onder meer van 27 augustus 2019 tot en met 1 oktober 2019.

2.2.

Op 25 september 2019 is met elektronische camerabeelden geconstateerd dat

met de camper gebruik werd gemaakt van de openbare weg, terwijl de geldigheid van het kenteken was geschorst.

2.3

Belanghebbende heeft op de betreffende dag de camper gebruikt. Er was volgens belanghebbende sprake van een spoedeisende situatie waarbij hij en zijn echtgenote zo snel mogelijk bij de moeder van zijn echtgenote wilden zijn. De personenauto van belanghebbende wilde die dag niet starten en belanghebbende heeft daarom de camper gebruikt.

2.4.

Van de onder 2.2. genoemde constatering is melding gemaakt aan de Inspecteur. Met dagtekening 12 oktober 2019 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een vooraankondiging gestuurd waarin hij aangeeft voornemens te zijn aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting ten bedrage van € 2.348 en een verzuimboete van 100% op te leggen. Op 29 oktober 2019 heeft de Inspecteur de reactie van belanghebbende op de vooraankondiging ontvangen.

2.5.

Bij brief van 31 oktober 2019 heeft de Inspecteur aan belanghebbende meegedeeld dat de naheffingsaanslag in overeenstemming met de vooraankondiging wordt vastgesteld. Vervolgens heeft de Inspecteur op de voet van artikel 35 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet Mrb) met dagtekening 26 november 2019 aan belanghebbende de in het procesverloop genoemde naheffingsaanslag en op de voet van artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) de boetebeschikking opgelegd. De naheffingsaanslag heeft betrekking op de periode 27 september 2018 tot en met 26 september 2019, waarbij rekening is gehouden met de betaling van motorrijtuigenbelasting door belanghebbende over de periodes 3 november tot en met 6 november 2018, 14 februari tot en met 18 februari 2019, 29 april tot en met 3 mei 2019 en 22 augustus tot en met 26 augustus 2019.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de naheffingsaanslag en de boete terecht zijn opgelegd.

3.2.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag en de boetebeschikking. Ter zitting heeft belanghebbende subsidiair een naheffingsaanslag bepleit die beperkt is tot de periode van 27 augustus 2019 tot en met 26 september 2019.

3.3.

De heffingsambtenaar beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vraag bevestigend. Ter zitting heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat de boete gematigd kan worden met 5%.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing