Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21-11-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:9882, 200.306.878
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21-11-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:9882, 200.306.878
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 21 november 2023
- Datum publicatie
- 4 december 2023
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2023:9882
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2021:6961, Bekrachtiging/bevestiging
- Cassatie: ECLI:NL:HR:2025:512
- Zaaknummer
- 200.306.878
Inhoudsindicatie
Hoger beroep.
Overdracht economisch eigendom panden. Geen sprake van een huurovereenkomst. Reikwijdte bankhypotheek voor verkrijgende bank na fusie. Instemming bank met overdracht economisch eigendom betekent niet dat de bank zich niet op de panden kan verhalen voor een vordering op de juridisch eigenaar.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.306.878
zaaknummer rechtbank 515891
arrest van 21 november 2023
in de zaak van
1 [appellante1]
die woont in [woonplaats1]
die woont in [woonplaats2]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep hebben ingesteld
en bij de rechtbank optraden als eisers
hierna gezamenlijk: [de kinderen]
advocaat: mr. J. van den Brande
tegen:
de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid
Coöperatieve Rabobank U.A.
die is gevestigd in Amsterdam en kantoor houdt in Utrecht
die ook hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als gedaagde
hierna: Rabobank
advocaat: mr. T.E. Booms
1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
Naar aanleiding van het arrest van 18 oktober 2022 heeft op 5 april 2023 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Na eerst een aanhouding hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.
2 De kern van de zaak en de feiten
[de kinderen] hebben het economisch eigendom van een aantal panden in Rotterdam, die door hen de Wijnhavenpanden worden genoemd. De juridisch eigenaar van deze panden is een vennootschap van de vader van [de kinderen] , Vetus Vastgoed Beleggingen B.V. (hierna: Vetus). De vennootschap heette aanvankelijk [naam1] B.V. De Rabobank heeft een (grote) vordering op Vetus en heeft op grond daarvan beslag gelegd op de Wijnhavenpanden. Rabobank wil (indien nodig) de Wijnhavenpanden executoriaal kunnen verkopen en haar vordering op Vetus op de opbrengst van die panden kunnen verhalen. Volgens [de kinderen] kan dat niet en moet Rabobank hun positie als economisch eigenaar en (ver)huurder van deze panden eerbiedigen.
Feiten
Het hof gaat uit van de feiten zoals de rechtbank heeft vastgesteld in rechtsoverweging 3.1 tot en met 3.15 van het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 20 oktober 2021.1 Voor het hoger beroep zijn de volgende feiten relevant.
In 2004 heeft Vetus de Wijnhavenpanden gekocht met financiering van FGH Bank (hierna: de Wijnhavenpandenlening). FGH Bank is daarbij het (eerste) recht van hypotheek verleend (hierna: de bankhypotheek).
In 2009 heeft Vetus met instemming van FGH Bank het economisch eigendom van de Wijnhavenpanden overgedragen aan [de kinderen] . Zij waren destijds minderjarig. FGH Bank stelde daarbij als voorwaarde dat [de kinderen] een zogenaamde confirmatieakte zouden ondertekenen, waarin zij zich tot hoofdelijk medeschuldenaren hebben verklaard voor de Wijnhavenpandenlening. Hun ouders hebben deze akte namens hen getekend. De akte van economische levering van 2 december 2009 wordt door partijen “de Econoom” genoemd en zal hierna ook met die term worden aangeduid. Met en vanaf de overdracht van het economische eigendom treden [de kinderen] op als verhuurder van de Wijnhavenpanden en komen alle baten (zoals huurinkomsten) ten gunste van en de lasten (zoals kosten voor onderhoud) voor rekening van [de kinderen] .
In 2010 is een wederzijdse zekerhedenregeling overeengekomen waarbij onder meer FGH Bank, Rabobank, Vetus en de vader van [de kinderen] (hierna: de vader) partij zijn. Daarin is kort gezegd geregeld dat FGH Bank en Rabobank de overwaarde uit de aan hen verleende zekerheden willen aanwenden voor alle vorderingen die zij gezamenlijk of individueel hebben of zullen krijgen op Vetus, de vader of de andere daarin genoemde debiteuren die ook verbonden zijn aan de vader.
Omdat Vetus niet meer aan haar aflossingsverplichtingen tegenover FGH Bank kon voldoen heeft FGH Bank in 2011 haar pandrecht op (onder andere) de huurinkomsten op de Wijnhavenpanden openbaar gemaakt. Op verzoek van de vader heeft FGH Bank vervolgens werkafspraken gemaakt met (onder meer) Vetus. Die afspraken zijn vastgelegd in een brief van FGH Bank van 19 maart 2012. Op grond van deze afspraken heeft FGH Bank het verschil tussen de geïnde huurpenningen van huurders van de Wijnhavenpanden minus de verschuldigde rente en aflossing van de Wijnhavenpandenlening tot een maximaal bedrag van € 15.000,- per maand, overgemaakt naar de gezamenlijke rekening van [de kinderen] ten behoeve van de exploitatiekosten van de Wijnhavenpanden.
FGH Bank is op 29 juni 2018 gefuseerd (in de zin van de artikelen 2:309 en 310 van het Burgerlijk Wetboek) met Rabobank waarbij FGH Bank als rechtspersoon is verdwenen.
Rabobank had voorafgaand aan de fusie met FGH Bank een vordering op de vader, Vetus en andere aan de vader gelieerde ondernemingen inzake tussen 2006 en 2010 gesloten rentederivaten. Deze vordering wordt door partijen de derivatenvordering genoemd. Rabobank heeft voor voldoening van de derivatenvordering onder meer conservatoir beslag gelegd op de Wijnhavenpanden.
De rechtbank Den Haag heeft bij vonnis van 19 december 2018 Vetus in de procedure over de derivatenvordering hoofdelijk veroordeeld tot betaling van in totaal ruim 20 miljoen euro aan Rabobank. In het kader van het tegen dat vonnis ingestelde hoger beroep hebben Rabobank, de vader, Vetus en andere aan de vader gelieerde ondernemingen een vaststellingsovereenkomst gesloten. [de kinderen] zijn in deze vaststellingsovereenkomst ook als partij opgenomen om instemming te verlenen met artikel 3.5, welk artikel verwijst naar artikel 3.4 van die overeenkomst. Deze bepalingen luiden:
“3.4 Indien in de Wijnhavenprocedure onherroepelijk is komen vast te staan dat de Vorderingen Kinderen integraal worden toegewezen:
i) zal Rabobank de gelegde beslagen op de Wijnhavenpanden opheffen; en
(...)
Indien de Wijnhavenprocedure onherroepelijk is beëindigd, zonder dat het geval als beschreven in artikel 3.4 zich voordoet, dan kan Rabobank zich op de volledige overwaarde (zijnde de marktwaarde minus het totaal uitstaande bedrag onder de Wijnhavenlening) verhalen ter voldoening van de Restantvordering. (...)”