Home

Rechtbank Midden-Nederland, 20-10-2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:6961, C/16/515891 / HA ZA 21-43

Rechtbank Midden-Nederland, 20-10-2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:6961, C/16/515891 / HA ZA 21-43

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20 oktober 2021
Datum publicatie
8 november 2023
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2021:6961
Formele relaties
Zaaknummer
C/16/515891 / HA ZA 21-43

Inhoudsindicatie

Bodemzaak. Welke vorderingen vallen onder reikwijdte van hypotheek.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/515891 / HA ZA 21-43

Vonnis van 20 oktober 2021

in de zaak van

1 [eiseres sub 1]

wonende te [woonplaats]

2. [eiser sub 2]

wonende te [woonplaats]

3. [eiser sub 3]

wonende te [woonplaats] eisers

hierna samen te noemen: [kinderen familie] advocaat mr. J. van den Brande

tegen

de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.

statutair gevestigd te Amsterdam en mede kantoorhoudende te Utrecht gedaagde

hierna te noemen: Rabobank

advocaten mrs. J.J. van Hees en T.E. Booms

1 De procedure

Processtukken

1.1.

De volgende processtukken behoren tot het procesdossier:

-

de dagvaarding

-

de akte houdende producties (1 tot en met 30) van [kinderen familie]

-

de conclusie van antwoord met de producties 1 tot en met 18

De mondelinge behandeling

1.2.

Op 8 september 2021 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken.

1.3.

[kinderen familie] hebben mede aan de hand van spreekaantekeningen hun vorderingen en standpunt toegelicht. Ook Rabobank heeft haar standpunt toegelicht, maar niet aan de hand van spreekaantekeningen. Daarna hebben partijen vragen van de rechter beantwoord en op elkaars standpunten kunnen reageren. Partijen hebben geen schikking bereikt. Aan het einde van de mondelinge behandeling is aan partijen meegedeeld dat er op 20 oktober 2021 vonnis wordt gewezen.

2 Inleiding

Deze zaak gaat in de kern om het volgende.

2.1.

[kinderen familie] hebben het economisch eigendom van een aantal panden in [plaats] die door hen worden aangeduid als de [naam panden] .

De juridisch eigenaar van deze panden is de vennootschap van de vader van [kinderen familie] , [onderneming 1] , eerder bekend onder de naam [onderneming 2] . [onderneming 1] heeft de aankoop van de [naam panden] gefinancierd bij FGH Bank. FGH Bank heeft in verband hiermee in 2004 een eerste recht van hypotheek op de [naam panden] verkregen (hierna: de FGH hypotheek). Het gaat daarbij om een bankhypotheek.

2.2.

In 2018 zijn FGH Bank en Rabobank gefuseerd, waarbij Rabobank de verkrijgende vennootschap was en FGH Bank de verdwijnende vennootschap.

De groep waartoe [onderneming 1] behoort, bankierde voor deze fusie ook bij Rabobank. Rabobank stelt zich op het standpunt dat door de fusie alle vorderingen die zij op [onderneming 1] heeft verkregen, waaronder een derivatenvordering, onder de reikwijdte van de FGH hypotheek zijn komen te vallen. Rabobank is van plan om die vorderingen door uitwinning van de FGH hypotheek te verhalen. [kinderen familie] vinden dat dit niet mag, omdat deze vorderingen volgens hen niet onder de reikwijdte van de FGH hypotheek vallen. Verder voeren [kinderen familie] in deze procedure aan dat Rabobank bij de uitwinning van de [naam panden] rekening moet houden met de positie van [kinderen familie] als huurder van de [naam panden] .

3 De feiten en de vorderingen

4 De beoordeling

5 De beslissing