Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13-02-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1092, 22/1020 t/m 22/1037, 22/1040 t/m 22/1057

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13-02-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1092, 22/1020 t/m 22/1037, 22/1040 t/m 22/1057

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13 februari 2024
Datum publicatie
19 februari 2024
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2024:1092
Zaaknummer
22/1020 t/m 22/1037, 22/1040 t/m 22/1057
Relevante informatie
Art. 16 WOZ, Art. 17 WOZ, Art. 11 AWR

Inhoudsindicatie

Wet Woz. Waardevaststelling woningen. Diverse gemeentelijke heffingen.

Uitspraak

locatie Arnhem

nummers BK-ARN 22/1020 tot en met 22/1037 en BK-ARN 22/1040 tot en met 22/1057

uitspraakdatum: 13 februari 2024

Uitspraak van de veertiende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende1] te [woonplaats1] (in de zaken BK-ARN 22/1020 tot en met 22/1037)

[belanghebbende2] te [woonplaats2] (in de zaken BK-ARN 22/1040 tot en met 22/1057; hierna tezamen: belanghebbenden)

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 10 mei 2022, nummers (UTR) 21/539, 21/541, 21/542, 21/544, 21/926 tot en met 21/936, 21/938 tot en met 21/940, 21/942 tot en met 21/955 en 21/957 tot en met 21/960, in het geding tussen belanghebbenden en

de heffingsambtenaar van de gemeente Almere (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) ten name van [belanghebbende2] de waarde van de onroerende zaken gelegen aan het [adres1] 41A (voorheen 41), 41B, 41C en 43A (voorheen 43), 43B en 43C te [woonplaats1] , per waardepeildatum 1 januari 2016, 1 januari 2017, 1 januari 2018 en 1 januari 2019 en naar de toestand op die data, voor de jaren 2017, 2018, 2019 en 2020 vastgesteld. Tegelijk met deze beschikkingen zijn aanslagen onroerendezaakbelasting (OZB) en rioolheffing (RIO) vastgesteld.

1.2.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikkingen op grond van de Wet WOZ ten name van [belanghebbende1] de waarde van de onroerende zaken gelegen aan het [adres1] 41A, 41B, 41C en 43A, 43B en 43C te [woonplaats1] , per waardepeildatum 1 januari 2016, 1 januari 2017 en 1 januari 2018 en naar de toestand op die data, voor de jaren 2017, 2018 en 2019 vastgesteld. Hierbij zijn geen aanslagen OZB en RIO vastgesteld.

1.3.

De heffingsambtenaar heeft een gedeelte van de bezwaren van [belanghebbende2] niet-ontvankelijk verklaard en een gedeelte ongegrond. De bezwaren van [belanghebbende1] zijn ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbenden zijn tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). Het beroep van [belanghebbende2] richt zich voor de jaren 2017 tot en met 2019 tegen de WOZ-beschikkingen en aanslagen OZB en RIO voor de onroerende zaken [adres1] 41B, 41C, 43B en 43C en voor het jaar 2020 daarnaast ook tegen de WOZ-beschikkingen en aanslagen OZB en RIO voor de onroerende zaken [adres1] 41A en 43A. Het beroep van [belanghebbende1] richt zich op de voor de jaren 2017 tot en met 2019 vastgestelde WOZ-beschikkingen voor de onroerende zaken [adres1] 41A, 41B, 41C en 43A, 43B en 43C.

1.5.

De Rechtbank heeft in één geschrift uitspraak gedaan op de beroepen van beide belanghebbenden. De Rechtbank heeft geoordeeld dat [belanghebbende2] ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in een aantal bezwaren, maar het beroep overigens ongegrond verklaard. Het beroep van [belanghebbende1] is ongegrond verklaard.

1.6.

Belanghebbenden hebben gezamenlijk tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.7.

Partijen zijn per aangetekende brieven van 4 december 2023 uitgenodigd voor het onderzoek ter zitting, onder vermelding van plaats en tijdstip. De heffingsambtenaar heeft het Hof op de ochtend van de zitting bericht dat hij niet zal verschijnen. Belanghebbenden zijn zonder kennisgeving aan het Hof niet verschenen. Nu uit de van PostNL/Track en Trace afkomstige informatie kan worden afgeleid dat de zending op 5 december 2023 om 10:23 uur aan de gemachtigde van belanghebbenden is uitgereikt en dat voor ontvangst is getekend, zijn belanghebbenden op de juiste wijze uitgenodigd voor de zitting van het Hof. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbenden zijn gezamenlijk eigenaar van twee onroerende zaken gelegen aan het [adres1] te [woonplaats1] . Het betreft twee in 1982 als eengezinswoningen gebouwde onroerende zaken, oorspronkelijk genummerd 41 en 43. De onroerende zaken zijn door verbouwing nadien elk in drie zelfstandige woonruimtes gewijzigd. Iedere woonruimte beschikt over eigen douche, toilet en keuken en is afzonderlijk afsluitbaar. De onroerende zaken zijn echter niet juridisch gesplitst in afzonderlijke onroerende zaken. De woonruimtes zijn verhuurd. Belanghebbenden hebben sinds 2011 meerdere malen aan de gemeente verzocht de onroerende zaken ook in de administratie van de gemeente te splitsen en aan iedere woonruimte een eigen huisnummer toe te kennen. De gemeente heeft dat geweigerd, omdat volgens de gemeente geen sprake was van verhuur van zelfstandige woonruimtes, maar van kamerverhuur. De heffingsambtenaar heeft zich hier voor wat de heffing van gemeentelijke belastingen telkens bij aangesloten.

2.2.

De heffingsambtenaar heeft telkens aan het begin van de kalenderjaren 2017, 2018 en 2019 op naam van [belanghebbende2] WOZ-beschikkingen vastgesteld. Hierbij werd voorbij gegaan aan de door belanghebbenden gewenste splitsing. Voor nummer 41 werd de waarde vastgesteld op € 103.000 (2017), € 115.000 (2018) en € 132.000 (2019). Voor nummer 43 werd de waarde vastgesteld op € 129.000 (2017), € 150.000 (2018) en € 166.000 (2019). Tevens werden voor beide onroerende zaken aanslagen OZB en RIO opgelegd. De aanslagen RIO bedroegen per onroerende zaak € 141,26 (2017), € 147,51 (2018) en € 154,45 (2019). Voor [belanghebbende1] werden geen beschikkingen en aanslagen vastgesteld. [belanghebbende2] heeft voor het jaar 2019 bezwaar gemaakt tegen de hiervoor vermelde WOZ-beschikkingen en aanslagen OZB en RIO.

2.3.

De heffingsambtenaar heeft telkens aan het begin van het kalenderjaar op naam van [belanghebbende2] aanslagen afvalstoffenheffing opgelegd, omdat zij werd aangemerkt als belastingplichtige gebruiker van de onroerende zaken. Zij heeft hiertegen jaarlijks bezwaar gemaakt.

2.4.

Door (de heffingsambtenaar van) GBLT zijn voor de jaren 2015, 2016, 2017 en 2018 aanslagen zuiveringsheffing bedrijfsruimte opgelegd aan [belanghebbende2] . De aanslagen zijn opgelegd, omdat GBLT ervan uitging dat de onroerende zaken in gebruik waren voor kamerverhuur en deze activiteit als een bedrijfsmatige activiteit wordt beschouwd. Naar aanleiding van een onderzoek ter plaatse heeft GBLT de bezwaren bij brieven van 17 en 18 mei 2018 gegrond verklaard en de aanslagen vernietigd, omdat onderzoek ter plaatse had uitgewezen dat geen sprake was van kamerverhuur, maar van verhuur van (per onroerende zaak) drie zelfstandige woonruimtes.

2.5.

Bij brief van 18 juli 2018 aan de afdeling burgerzaken van de gemeente Almere hebben belanghebbenden onder verwijzing naar de beslissing van GBLT vervolgens verzocht om de afzonderlijke woonruimtes ook in de gemeentelijke administratie als zodanig te administreren, onder de nummers 41A, 41B, 41C, 43A, 43B en 43C. Hierbij wordt aan de gemeente gelegenheid geboden de feitelijke toestand ter plekke te controleren.

2.6.

Onder verwijzing naar de beslissing van GBLT heeft [belanghebbende2] op 6 september 2018 de heffingsambtenaar verzocht de eerder opgelegde aanslagen afvalstoffenheffing te vernietigen. Bij brief van 1 maart 2019 heeft zij vervolgens bezwaar gemaakt tegen de aan haar opgelegde aanslagen afvalstoffenheffing 2019 voor beide onroerende zaken. In de brieven is vermeld dat [belanghebbende2] geen bewoner of gebruiker van de onroerende zaken is en tevens dat deze onroerende zaken zijn verdeeld in telkens drie zelfstandige woonruimtes.

2.7.

Over de bezwaarschriften is op 17 april 2019 overleg gevoerd tussen de heffingsambtenaar en gemachtigde [naam1] . In het door de heffingsambtenaar op dezelfde dag van dit overleg opgemaakte verslag is het volgende vermeld:

“- Als afdeling Belastingen gaan we aansluiten bij de afbakening, zoals het GBLT dit heeft gedaan aan de hand van de inpandige opname; zowel nummer 41 als nummer 43 wordt gesplitst in 3 afzonderlijke zelfstandige units.

- Alle aanslagen afvalstoffenheffing op naam van uw dochter [belanghebbende2] voor de woningen aan het [adres1] 41 en 43 worden binnenkort vernietigd (AT: de eerste aanslag is van belastingjaar 2015 inderdaad).

- De aanslagen afvalstoffenheffing worden per zelfstandige unit opnieuw opgelegd aan de daadwerkelijke huurder/gebruiker.

- Door het vormen van afzonderlijke zelfstandige units ontstaan er zes afzonderlijke WOZ-objecten vanaf 1 januari 2017; vanaf 2017 worden er dus ook zes verschillende WOZ-beschikkingen, aanslagen OZBE én rioolheffing. Deze worden immers allen per zelfstandig object opgelegd aan de desbetreffende eigenaar.

(…)

- De splitsing in afzonderlijke units geldt voor de WOZ en daarmee voor de gemeentelijke belastingen; de basisregistratie adressen en gebouwen (BAG) en basisregistratie personen (BRP) staan hier in principe buiten, daarover heeft afdeling Belastingen geen zeggenschap.

(…).”

2.8.

Ter uitvoering van hetgeen hij op 17 april 2019 heeft toegezegd, heeft de heffingsambtenaar de onroerende zaken in zijn administratie voor de belastingheffing over de jaren 2017 en volgende gesplitst in telkens drie zelfstandige objecten (hierna: de woonruimtes) met de aanduiding A, B en C. Bij uitspraken op bezwaar (2019) respectievelijk ambtshalve verminderingen (2017 en 2018) zijn op 17 december 2019 de oorspronkelijke beschikkingen en aanslagen voor de nummers 41 en 43 voor de jaren 2017, 2018 en 2019 gewijzigd in beschikkingen en aanslagen voor de nummers 41A en 43A. De WOZ-waardes zijn hierbij verminderd tot de aan de betreffende woonruimte toe te kennen waarde en de aanslagen OZB zijn dienovereenkomstig verminderd. De aanslagen RIO zijn niet verminderd. Tevens zijn de aanslagen afvalstoffenheffing voor de jaren 2015 tot en met 2019 vernietigd. In de uitspraken op bezwaar zijn dezelfde mededelingen gedaan als in het gespreksverslag van 17 april 2019. Deze beschikkingen en aanslagen op naam van [belanghebbende2] staan onherroepelijk vast.

2.9.

Met dagtekening 31 december 2019 heeft de heffingsambtenaar ten name van [belanghebbende2] voor de woonruimtes met de (nieuwe) nummers 41B, 41C, 43B en 43C voor de jaren 2017, 2018 en 2019 WOZ-beschikkingen en aanslagen OZB vastgesteld. Hierbij zijn voor de nummers 41B, 43B en 43C ook aanslagen RIO voor die jaren opgelegd. Woonruimte 41C is wegens de geringe WOZ-waarde buiten de RIO-heffing gebleven. De WOZ-beschikkingen en aanslagen OZB en RIO zijn per belastingjaar op één biljet vastgelegd.

2.10.

Met dagtekening 29 februari 2020 heeft de heffingsambtenaar ten name van [belanghebbende2] voor het jaar 2020 voor alle zes zelfstandige woonruimtes WOZ-beschikkingen en aanslagen OZB vastgesteld. Hierbij zijn voor de nummers 41A, 41B, 43A, 43B en 43C ook aanslagen RIO vastgesteld. Woonruimte 41C is wegens de geringe WOZ-waarde buiten de RIO-heffing gebleven. De WOZ-beschikkingen en aanslagen OZB en RIO zijn per belastingjaar op één biljet vastgelegd.

2.11.

Voor de jaren 2017 tot en met 2019 leiden de aangepaste beschikkingen en aanslagen (41 en 43 zijn verminderd en verder aangeduid als 41A en 43A) en de nieuwe beschikkingen en aanslagen (41B, 41C, 43B en 43C) ertoe dat in vijf gevallen de vastgestelde WOZ-waarde van de afzonderlijke beschikkingen gezamenlijk hoger is dan de vastgestelde waarde van de oorspronkelijke beschikkingen. Tevens is in meer gevallen een aanslag RIO vastgesteld omdat de rioolbelasting per zelfstandige woonruimte wordt geheven. De cijfermatige uitwerking van het vorenstaande blijkt uit de hierna volgende tabel.

Waarde

RIO

Waarde

RIO

2017

41 oud

103.000

141,26

43 oud

129.000

141,26

41A

55.000

141,26

43A

55.000

141,26

41B

59.000

141,26

43B

50.000

141,26

41C

15.000

-

43C

38.000

141,26

41A+B+C

129.000

282,52

43A+B+C

143.000

423,78

2018

41 oud

115.000

147,51

43 oud

150.000

147,51

41A

58.000

147,51

43A

58.000

147,51

41B

63.000

147,51

43B

53.000

147,51

41C

16.000

-

43C

40.000

147,51

41A+B+C

137.000

295,02

43A+B+C

151.000

442,53

2019

41 oud

132.000

154,45

43 oud

166.000

154,45

41A

63.000

154,45

43A

62.000

154,45

41B

67.000

154,45

43B

57.000

154,45

41C

18.000

-

43C

43.000

154,45

41A+B+C

148.000

308,90

43A+B+C

162.000

463,35

2020

41 oud

Nvt

Nvt

43 oud

Nvt

Nvt

41A

84.000

161,71

43A

86.000

161,71

41B

90.000

161,71

43B

76.000

161,71

41C

31.000

43C

58.000

161,71

41A+B+C

205.000

323,42

43A+B+C

220.000

485,13

2.12.

[belanghebbende2] heeft op 7 april 2020 bezwaar gemaakt tegen alle aanslagen en beschikkingen voor het jaar 2020 en op 9 april 2020 tegen de nieuwe beschikkingen en aanslagen (41B, 41C, 43B en 43C) voor de jaren 2017 tot en met 2019.

2.13.

Met dagtekening 30 april 2020 en 31 juli 2020 heeft de heffingsambtenaar op verzoek van en ten name van [belanghebbende1] voor de jaren 2017 tot en met 2019 afzonderlijke WOZ-beschikkingen (als medebelanghebbende) vastgesteld voor alle zes woonruimtes. De waardes zijn door de heffingsambtenaar vastgesteld als hierboven is weergegeven. Aanslagen OZB en RIO zijn hierbij niet vastgesteld. De beschikkingen zijn per jaar en per onroerende zaak (woonruimte) op een afzonderlijk biljet vastgelegd. Tegen deze beschikkingen is bezwaar gemaakt.

2.14.

Bij uitspraken op bezwaar van 21 december 2020 heeft de heffingsambtenaar uitspraak op alle door [belanghebbende2] ingediende bezwaarschriften gedaan. De uitspraken met betrekking tot de WOZ-beschikkingen en aanslagen OZB en RIO zijn per belastingjaar op één biljet vastgelegd. De bezwaren van [belanghebbende2] voor de jaren 2017 tot en met 2019 zijn wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. De heffingsambtenaar heeft tevens beslist dat er geen aanleiding is de beschikkingen en de aanslagen ambtshalve te verminderen. De bezwaren van [belanghebbende2] voor het jaar 2020 heeft de heffingsambtenaar ongegrond verklaard.

2.15.

Bij 18 afzonderlijke uitspraken op bezwaar van 21 december 2020 heeft de heffingsambtenaar de bezwaren van [belanghebbende1] ongegrond verklaard.

2.16.

De Rechtbank heeft één schriftelijke uitspraak met betrekking tot beide belanghebbenden gedaan. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de bezwaren van [belanghebbende2] voor de jaren 2017 tot en met 2019 ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard en heeft daarom de uitspraken op bezwaar vernietigd. De Rechtbank heeft vervolgens zelf in de zaken voorzien en de bezwaren tegen de WOZ-beschikkingen, OZB-aanslagen en RIO-aanslagen alsnog ongegrond verklaard. Het beroep met betrekking tot de beschikkingen en aanslagen voor het jaar 2020 heeft de Rechtbank ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft de heffingsambtenaar veroordeeld tot betaling van de proceskosten van [belanghebbende2] in beroep tot een bedrag van € 1.623 en de heffingsambtenaar gelast het griffierecht te vergoeden. De Rechtbank heeft verder geoordeeld dat het beroep van [belanghebbende1] ongegrond is.

2.17.

Bij uitspraak van 14 oktober 2021 heeft een andere kamer van de Rechtbank geoordeeld dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere verplicht is aan ieder van de geconstateerde woonruimtes op de adressen [adres1] 41 en 43 te [woonplaats1] een huisnummer toe te kennen en heeft de Rechtbank het andersluidende besluit van het college vernietigd.

2.18.

Belanghebbenden hebben in één beroepschrift gezamenlijk hoger beroep tegen de in overweging 2.16. vermelde uitspraak van de Rechtbank ingesteld.

3 Geschil

3.1.

[belanghebbende2] voert in hoger beroep in de eerste plaats aan dat de Rechtbank ten onrechte geen beslissing heeft genomen over de opgelegde aanslagen RIO.

3.2.

[belanghebbende2] voert in de tweede plaats aan dat de wijziging van de objectafbakening er niet toe mag leiden dat met terugwerkende kracht voor de jaren 2017 tot en met 2019 meer OZB en RIO wordt geheven dan volgens de oorspronkelijke aanslagen was verschuldigd. Volgens [belanghebbende2] ontbreekt hiervoor een nieuw feit en vormt een dergelijke heffing een inbreuk op het vertrouwensbeginsel.

3.3.

Voor het geval voorgaande klacht van [belanghebbende2] wordt verworpen, betwisten beide belanghebbenden de juistheid van de voor de jaren 2017 tot en met 2019 vastgestelde WOZ-waardes.

3.4.

[belanghebbende2] betwist tevens de juistheid van de voor het jaar 2020 vastgestelde WOZ-waardes en aanslagen OZB en RIO.

3.5.

Ten slotte voert [belanghebbende2] aan dat de Rechtbank in haar zaak ten onrechte geen vergoeding voor de bezwaarfase heeft toegekend.

3.6.

De heffingsambtenaar voert verweer. Hij deelt het standpunt van [belanghebbende2] dat de Rechtbank ten onrechte de kosten van het bezwaar niet heeft vergoed en stelt dat alsnog een vergoeding dient te worden toegekend voor het indienen van het bezwaar en het bijwonen van de hoorzitting door de gemachtigde.

4 Beoordeling van het geschil met betrekking tot [belanghebbende2]

5 Beoordeling van het geschil met betrekking tot [belanghebbende1]

6 Griffierecht en proceskosten

7 Beslissing