Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26-03-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2173, 23/291
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26-03-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2173, 23/291
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 26 maart 2024
- Datum publicatie
- 5 april 2024
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2022:5546, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- 23/291
- Relevante informatie
- Art. 22 Wet WOZ, Art. 8:91 Awb, Art. 8:94 Awb
Inhoudsindicatie
Wet Woz. Vergoeding van immateriële schade, proceskosten en griffierecht.
Uitspraak
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/291
uitspraakdatum: 26 maart 2024
Uitspraak van de elfde enkelvoudige belastingkamer
op het incidentele hoger beroep van
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar)
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 21 november 2022, nummer UTR 21/1702, in het geding tussen de heffingsambtenaar en
[belanghebbende] B.V. (hierna: belanghebbende)
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 10 te [plaats1] (hierna: het kantoorpand), per waardepeildatum 1 januari 2019, voor het jaar 2020 vastgesteld op € 5.059.000. Tegelijk met deze beschikking is aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) opgelegd.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende is hiertegen in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de Rechtbank de heffingsambtenaar en de Staat veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade (heffingsambtenaar € 857,15, de Staat € 142,85), proceskosten (ieder € 379,50) en griffierecht (ieder € 180).
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De heffingsambtenaar heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft het incidentele hoger beroep beantwoord.
Belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. D.A.N. Bartels, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam2] , taxateur, en [naam3] .
2 Vaststaande feiten
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. Het betreft een kantoorpand (bouwjaar 1985) met een oppervlakte van 5.564 m2 dat is gelegen op een kavel met een oppervlakte van 4.660 m2.
De waarde van de onroerende zaak is bij beschikking vastgesteld op € 5.059.000. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Na de afwijzende uitspraak op bezwaar is belanghebbende in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, maar wel aanleiding gezien om de heffingambtenaar en de Staat te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade (heffingsambtenaar € 857,15, de Staat € 142,85), proceskosten (ieder € 379,50) en griffierecht (ieder € 180) wegens overschrijding van de redelijke termijn met (naar boven afgerond) een jaar.
Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld vanwege de ongegrondverklaring van zijn beroep betreffende de waarde van de onroerende zaak. De heffingsambtenaar heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de nevenbeslissingen omtrent de immateriëleschadevergoeding, de proceskosten en het griffierecht. De Staat heeft in de uitspraak van de Rechtbank berust.
Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende zijn hoger beroep betreffende de waarde van de woning ingetrokken, zodat het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar ter beoordeling overblijft.
3 Geschil
In geschil is of de Rechtbank de heffingsambtenaar terecht en tot juiste bedragen heeft veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade, proceskosten en griffierecht.
De heffingsambtenaar beantwoordt die vraag ontkennend, belanghebbende bevestigend.