Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 02-04-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2262, 21/1529
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 02-04-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2262, 21/1529
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 2 april 2024
- Datum publicatie
- 12 april 2024
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2021:4619, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 21/1529
- Relevante informatie
- Art. 22 Wet WOZ, Art. 40 Wet WOZ
Inhoudsindicatie
Wet Woz. Toezendplicht gegevens.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 21/1529
uitspraakdatum: 2 april 2024
Uitspraak van de negende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 1 september 2021, nummer UTR 21/320, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar)
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak aan de [adres1] te [woonplaats] , per waardepeildatum 1 januari 2019 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2020 vastgesteld op € 301.000. Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2020 opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord P.J.T. Loijen en mr. H. Vloet, als de gemachtigden van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam2] en [naam3] .
2 Vaststaande feiten
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. De onroerende zaak is een tussenwoning uit 1985 met een gebruikersoppervlakte van 94m2.
Belanghebbende heeft bij brief van 10 april 2020, aangevuld bij brief van 22 juli 2020, bezwaar gemaakt tegen de onderhavige beschikking. In het bezwaarschrift en de aanvulling schrijft belanghebbende het volgende:
‘Om de WOZ-waarde en de opgelegde aanslag nader te controleren verzoek ik u ons uiterlijk binnen twee weken het taxatieverslag toe te sturen…’
en
‘Ik verzoek u, bij niet volledig tegemoetkoming aan het bezwaar, op basis van art. 40 Wet WOZ de opbouw van de kavelwaarde, de zogenoemde grondstaffel, en de taxatiekaart met daarop vermeld de KOUDV- en liggingsfactoren van het onderhavige object en van de door u opgevoerde vergelijkingsobjecten tijdig voor het plaatsvinden van de hoorzitting te verstrekken.’
In de uitspraak op bezwaar schrijft de heffingsambtenaar hierover:
‘Tijdens de hoorzitting bent u geïnformeerd over de wijze waarop BghU de door u zo genoemde KOUDV-factoren gebruikt en ontsluit: Op het taxatieverslag worden per 2020 de onderhoudstoestand (hieronder is ook de kwaliteit van de woning begrepen) en het voorzieningenniveau van het object en de referenties vermeld. De uitstraling van het object en de referenties kunt u waarnemen door middel van de foto’s op het verslag en is zoveel als mogelijk vergelijkbaar. Dit geldt eveneens voor de ligging, die verdisconteerd is in de ligging van de verkoopcijfers van de referenties.’
en
‘De grondstaffel is inmiddels op 26 augustus 2020 met een e-mailbericht aan u verstrekt.’
en
‘Gemiddeld hanteert BghU voor dit type woningen in dit marktsegment van deze gemeente 9,8% per jaar.’
Belanghebbende is per brief van 15 januari 2021 in beroep gegaan tegen de uitspraak op bezwaar. In het beroepschrift schrijft belanghebbende het volgende:
‘In nadere aanvulling van het bezwaar is op basis van art. 40 Wet WOZ de taxatiekaart met daarop vermeld de KOUDV- en liggingsfactoren van de door verweerder opgevoerde vergelijkingsobjecten tijdig voor het plaatsvinden van de hoorzitting te verstrekken. Door verweerder is niet ingegaan op dit verzoek noch voor de hoorzitting, noch in de uitspraak op bezwaar en heeft mij geen inzicht verschaft in de door haar gedane taxatie.’
In het verweerschrift schrijft de heffingsambtenaar hierover:
‘’Daar ben ik het niet mee eens. Er is wel degelijk gereageerd op het verzoek gegevens te verstrekken … Ik ben van mening dat … juist alle mogelijke inspanningen zijn gedaan om gemachtigde volledig te informeren en tijdig te voorzien van alle informatie waarmee de vastgestelde waarde van het object voor haar inzichtelijk en controleerbaar is. Zo is op 26 augustus 2020, via e-mail, een compleet excelbestand beschikbaar gesteld waarin per bezwaarschrift/object de speciefieke grondstaffels zijn verstrekt. Het is gemachtigde bekend dat het taxatieverslag van de BghU een afschrift is van de in het elektronisch taxatiemodel vastgelegde gegevens van het object. Het taxatieverslag wordt aan de belanghebbende digitaal ontsloten vanaf het moment dat de aanslag/beschikking wordt opgelegd. … Op het taxatieverslag worden de waardebepalende factoren van het object vermeld, die door BghU gebruikt worden voor wat betreft onderhoud (daarbij inbegrepen kwaliteit van het object) en voorzieningenniveau. Uitstraling wordt niet apart vermeld, maar is controleerbaar en inzichtelijk door middel van de foto’s op het verslag. Doelmatigheid is in dit geval geen criterium dat gebruikt is in het model en ligging is verdisconteerd in de verkoopcijfers.’’
en
‘Het concrete indexeringspercentage voor dit object in dit marktsegment is ook in de uitspraak op het bezwaarschrift vermeld.’
In de beroepsfase heeft de heffingsambtenaar een waardematrix ingebracht.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de verweerder met de taxatiematrix voldoende inzichtelijk heeft gemaakt wat de overeenkomsten en verschillen zijn tussen de woning van eiser en de referentieobjecten en dat daar bij de waardebepaling voldoende rekening mee is gehouden. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende is per brief van 14 oktober 2021 in hoger beroep gegaan tegen de uitspraak van de rechtbank. In het hogerberoepschrift schrijft belanghebbende het volgende:
‘Ook in onderhavig geval was de informatie waar al in een vroeg stadium van de procedure werd verzocht nodig om een inschatting te kunnen maken of het instellen avn beroep al dan niet nodig zou zijn.’
In het verweerschrift schrijft de heffingsambtenaar hierover:
‘Aan gemachtigde zijn het taxatieverslag met daarop de kwalificaties voor Onderhoud en Voorzieningen van het onderhavige object en van de onderbouwende verkopen verstrekt, is de grondstaffel verstrekt en is het gehanteerde indexeringspercentage verstrekt. Een taxatiekaart kan in de bezwaarfase niet worden verstrekt, aangezien deze er dan nog niet is. Eerst in de beroepsfase wordt de taxatiematrix opgesteld die voldoende inzichtelijk maakt wat de overeenkomsten en verschillen zijn er dat daar bij de waardebepaling voldoende rekening mee is gehouden.’
en
‘De gehanteerde en aan gemachtigde verstrekt indexcijfers komen voort uit deze permanente marktanalyse. BghU koopt de openbare verkoopgegevens van het Kadaster en verzamelt openbare verkoopadvertenties (van websites zoals Funda via iWOZ), waarna de taxateurs deze gegevens analyseren, zoals gemachtigde dit zelf ook doet of kan laten doen, bijvoorbeeld via regelmatig ingeschakelde deskundige [naam4] . Gemachtigde beroept zich ook regelmatig op uitkomsten van [naam5] . Daardoor is er geen sprake van informatieachterstand bij gemachtigde.’
3 Geschil
In geschil is of de heffingsambtenaar in strijd met artikel 40 Wet WOZ heeft gehandeld en of belanghebbende derhalve recht heeft op vergoeding van proceskosten voor de bezwaar, beroeps- en hogerberoepsprocedure.
In geschil is of de secundaire objectkenmerken kwaliteit, doelmatigheid en ligging hadden moeten worden verstrekt evenals de onderbouwing van het indexeringspercentage
In geschil is of het indexeringspercentage tijdig is verstrekt
Ter zitting heeft belanghebbende ondubbelzinnig aangegeven dat de waardebepaling niet meer in geschil is.