Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23-04-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2861, 23/178
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23-04-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2861, 23/178
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 23 april 2024
- Datum publicatie
- 3 mei 2024
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2022:6328, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- 23/178
- Relevante informatie
- Art. 22 Wet WOZ, Art. 8:91 Awb, Art. 8:94 Awb
Inhoudsindicatie
Wet Woz. Vergoedingen voor immateriële schade, proceskosten en griffierecht.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/178
uitspraakdatum: 23 april 2024
Uitspraak van de vijfde enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 14 november 2022, nummer UTR 21/1318, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar)
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken de waarde van de onroerende zaak [adres1] te [woonplaats] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2019, voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 398.000. Tegelijk met deze beschikking heeft de heffingsambtenaar voor dat jaar aan belanghebbende de aanslagen onroerendezaakbelasting (hierna: OZB) en watersysteemheffing opgelegd.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift verenigde uitspraken op bezwaar de beschikking en de aanslagen gehandhaafd.
Belanghebbende is hiertegen in beroep gekomen bij de Rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, maar wel aanleiding gezien om de heffingsambtenaar en de Staat (de Minister voor Rechtsbescherming) te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade (de heffingsambtenaar € 500, de Staat
€ 500), proceskosten (ieder € 379,50) en griffierecht (ieder € 24,50), wegens een overschrijding van de redelijke termijn met acht maanden.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De heffingsambtenaar heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft het incidentele hoger beroep beantwoord.
Partijen hebben voorafgaand aan de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2024. Daarbij is verschenen en gehoord [naam1] namens de heffingsambtenaar. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan het Hof, niet verschenen.
Bij een aangetekend verzonden brief van 8 maart 2024 van de griffier van het Hof is belanghebbende uitgenodigd voor de zitting van 3 april 2024 om 14.00 te Arnhem. De uitnodiging is verzonden naar het door (de gemachtigde van) belanghebbende opgegeven correspondentieadres Postbus 14000, 3508 SB te Utrecht. Uit informatie van Track & Trace blijkt dat deze uitnodiging op 9 maart 2024, om 10:17, is afgehaald bij Primera [naam2] , [woonplaats] , waarbij voor ontvangst is getekend. Omdat de uitnodiging voor de zitting tijdig en op de juiste wijze aan belanghebbende is verzonden, heeft het Hof het onderzoek ter zitting doorgang laten vinden.
2 Vaststaande feiten
Belanghebbende is eigenaar van de woning.
3 Geschil
Belanghebbende heeft het hoger beroep ingetrokken. In geschil is nog of de Rechtbank de heffingsambtenaar terecht en tot de juiste bedragen heeft veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade, proceskosten en griffierecht.
De heffingsambtenaar beantwoordt die vraag ontkennend, belanghebbende bevestigend.