Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 07-05-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3217, 23/1148

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 07-05-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3217, 23/1148

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
7 mei 2024
Datum publicatie
17 mei 2024
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2024:3217
Zaaknummer
23/1148
Relevante informatie
Art. 16 Wet WOZ, Art. 17 Wet WOZ, Art. 18 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 2 Uitv reg uitg obj

Inhoudsindicatie

Wet Woz. Objectafbakening. Waarderingsuitzondering voor waterverdedigingswerken.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

nummer BK-ARN 23/1148

uitspraakdatum: 7 mei 2024

Uitspraak van de tweeëntwintigste enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland van 7 maart 2023, nummer LEE 21/3498, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Waadhoeke (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 1040 te [woonplaats] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2020, voor het jaar 2021 vastgesteld op € 72.000. Tegelijk met deze beschikking heeft de heffingsambtenaar voor dat jaar aan belanghebbende een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd.

1.2.

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De griffier van het Hof heeft stukken opgevraagd bij de heffingsambtenaar.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord drs. C. Atema namens belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam2 1] , taxateur. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overlegd. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Het Hof neemt de door de Rechtbank vastgestelde feiten over:

2.1.

Eiser is eigenaar van de onroerende zaak. Het betreft een vrijstaande woning uit 1920 met een dakkapel, een aangebouwde berging/schuur en een vrijstaande berging/schuur. De woning heeft een inhoud van 231 m³ en het perceel heeft een oppervlakte van 235 m²

2.2.

Het perceel is gelegen op een dijk die als zodanig in beheer is bij het waterschap. Bij de bepaling van de waarde heeft verweerder een correctie toegepast, gelet op de zogenoemde waarderingsuitzondering voor waterverdedigingswerken (artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken).

2.2.

Het Hof voegt hieraan toe dat de heffingsambtenaar in hoger beroep de eigendomsinformatie van het Kadaster ten aanzien van twee percelen heeft toegestuurd, te weten de kadastrale percelen [plaats1] , met adres aanduiding [adres1] 1040, [woonplaats] (hierna: nummer E 50), en [plaats1] , zonder adres aanduiding (hierna: nummer E 51). In deze eigendomsinformatie staat vermeld dat het recht van eigendom van het perceel met nummer E 50 voor een helft op naam van belanghebbende en een helft op naam van een op hetzelfde adres als belanghebbende gevestigde persoon staat, en dat het recht van eigendom van het perceel met nummer E 51 op naam van de [naam2 2] staat.

3 Geschil

3.1.

Tussen partijen is allereerst in geschil of het perceel grenzend aan dat van belanghebbende dient te worden betrokken in de waardering. Tussen partijen is niet in geschil dat als deze vraag bevestigend wordt beantwoord, de beschikking en aanslag moeten worden vernietigd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de heffingsambtenaar ontkennend.

3.2.

Indien de heffingsambtenaar de onroerende zaak goed heeft afgebakend is in geschil of bij de waardevaststelling van de woning de waarde van de ondergrond van de woning buiten aanmerking moet blijven omdat die ondergrond deel uitmaakt van een waterverdedigingswerk. Niet tussen partijen in geschil is dat als deze vraag bevestigend wordt beantwoord, de waarde naar € 67.000 dient te worden verlaagd, zoals door belanghebbende wordt bepleit, en dat bij ontkennende beantwoording de waarde van € 72.000 niet te hoog is vastgesteld, zoals de heffingsambtenaar voorstaat.

3.3.

Alle overige geschilpunten zijn ter zitting uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing