Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11-06-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3911, 22/898

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11-06-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3911, 22/898

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11 juni 2024
Datum publicatie
21 juni 2024
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2024:3911
Formele relaties
Zaaknummer
22/898
Relevante informatie
Art. 17 WOZ

Inhoudsindicatie

Wet Woz. Vergoedingen voor proceskosten, griffierecht en immateriële schade.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 22/898

uitspraakdatum: 11 juni 2024

Uitspraak van de elfde enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

en het incidentele hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de gemeente Hilversum (hierna: de heffingsambtenaar)

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 21 maart 2022, nummer UTR 21/2203, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken de waarde van de onroerende zaak [adres1] te [plaats1] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2018, voor het jaar 2019 vastgesteld op € 988.000.

1.2.

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de Rechtbank de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade (€ 500), proceskosten (€ 541) en griffierecht (€ 49).

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend en daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft het incidentele hoger beroep beantwoord.

1.5.

Het onderzoek ter digitale zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. A. Bakker, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam2] , taxateur.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Bij beschikking van 31 december 2019 is de waarde van de woning, per waardepeildatum 1 januari 2018, voor het jaar 2019 vastgesteld op € 988.000.

2.2.

Belanghebbende heeft tegen die waardevaststelling bezwaar gemaakt op 6 januari 2020. In het bezwaarschrift is (onder meer) gewezen op de staat van onderhoud van de woning en ondervonden hinder van sluipverkeer als waardedrukkende omstandigheden.

2.3.

Op 5 februari 2020 heeft de heffingsambtenaar per e-mailbericht een verzoek gedaan voor het inplannen van een inpandige opname van de woning, om te komen tot een juiste beoordeling van wat in het bezwaarschrift aan punten is genoemd. Per e-mailbericht van 7 februari 2020 heeft belanghebbende te kennen gegeven hier later op terug te komen.

2.4.

Per e-mailbericht van 24 februari 2020 heeft de heffingsambtenaar gevraagd of belanghebbende inmiddels weet welke datum de inpandige opname kan plaatsvinden. In zijn reactie van 15 maart 2020 geeft belanghebbende aan dat een inpandige opname wegens de wereldwijde uitbraak van het coronavirus en de (toen) geldende overheidsmaatregelen niet goed mogelijk is. Voorgesteld wordt de zaak na een paar maanden weer op te pakken. Op 16 maart 2020 geeft de heffingsambtenaar hierop zijn akkoord.

2.5.

Per e-mailbericht van 20 april 2020 geeft de heffingsambtenaar aan dat de coronamaatregelen naar verwachting nog wel een tijd zullen voortduren. De heffingsambtenaar verzoekt daarom om foto’s over te leggen om op die manier het bezwaar te kunnen beoordelen. Belanghebbende reageert hier niet op, daarom doet de heffingsambtenaar op 16 september 2020 nogmaals een verzoek om foto’s.

2.6.

Vervolgens is er telefonisch contact geweest tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar, waarna de heffingsambtenaar op 16 december 2020 nogmaals op het eerdere e-mailbericht van 16 september wijst met het verzoek zo spoedig mogelijk te reageren. Belanghebbende reageert hier niet op.

2.7.

Per e-mailbericht van 22 december 2020 verzoekt de heffingsambtenaar om instemming met verlenging van de beslistermijn op bezwaar totdat er duidelijkheid is over een inpandige opname of het verstrekken van het gevraagde fotomateriaal. Belanghebbende reageert ook hier niet op. Tot slot stelt de heffingsambtenaar in zijn e-mailbericht van 18 februari 2021 een laatste reactietermijn van twee weken. Belanghebbende reageert hier wederom niet op.

2.8.

Op 25 maart 2021 heeft de heffingsambtenaar belanghebbende naar aanleiding van het bezwaar gehoord, alvorens de waarde bij uitspraak op bezwaar van 30 maart 2021 te handhaven.

2.9.

De Rechtbank heeft bij uitspraak van 21 maart 2022 het beroep op zichzelf ongegrond verklaard, maar is wel tegemoet gekomen aan het verzoek van belanghebbende om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn met ruim twee maanden, welke overschrijding volledig is toegerekend aan de heffingsambtenaar. De Rechtbank heeft die vergoeding berekend op € 500 en de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van dat bedrag. De heffingsambtenaar is daarbij tevens veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende, welke kosten door de Rechtbank zijn berekend op € 541 (2 punten (beroepschrift, bijwonen zitting) x € 541 x gewichtsfactor 0,5). Ten slotte heeft de Rechtbank de heffingsambtenaar opgedragen het betaalde griffierecht (€ 49) aan belanghebbende te vergoeden.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de Rechtbank de heffingsambtenaar terecht en tot juiste bedragen heeft veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade, proceskosten en griffierecht.

3.2.

Het principale hoger beroep van belanghebbende is gericht tegen de beslissing over de proceskosten, in het bijzonder de door de Rechtbank gehanteerde ‘waarde per punt’ van € 541. Belanghebbende beroept zich in dit kader op het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752 (hierna: het arrest van 27 mei 2022).

3.3.

Het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar is gericht tegen het oordeel van de Rechtbank dat de redelijke termijn in dit geval met ruim twee maanden is overschreden. De heffingsambtenaar beroept zich in dit kader op bijzondere omstandigheden die een verlenging van de redelijke termijn zouden rechtvaardigen.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing