Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18-06-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4141, 22/2287

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18-06-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4141, 22/2287

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18 juni 2024
Datum publicatie
28 juni 2024
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2024:4141
Formele relaties
Zaaknummer
22/2287
Relevante informatie
Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 30a Wet WOZ, Art. 4 Uitv.reg. WOZ

Inhoudsindicatie

Wet Woz. Waardevaststelling winkel/verkoopruimte.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 22/2287

uitspraakdatum: 18 juni 2024

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 5 oktober 2022, nummer UTR 21/4984, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amersfoort (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] te [plaats1] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2020 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2021 vastgesteld op € 317.000. Tegelijk met deze beschikking heeft de heffingsambtenaar een aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) 2021 aan belanghebbende opgelegd.

1.2.

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord A. Oosters, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door taxateur [naam2] .

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. Het betreft een in 1890 gebouwde en in 1999 gerenoveerde winkel/verkoopruimte met een verhuurbaar vloeroppervlak van 150 m2.

2.2.

De onroerende zaak is met ingang van 1 november 2015 verhuurd voor een periode van vijf jaar met aansluitende huurperioden van vijf jaar. De aanvangshuurprijs bedroeg € 35.000 per jaar exclusief btw. De huurder heeft de huurovereenkomst tegen het einde van de eerste huurperiode opgezegd en vervolgens onderhandeld over verlenging van de huurovereenkomst. Daarbij is een nieuwe huurperiode overeengekomen met een huurprijs per 1 november 2020 van € 25.000 per jaar exclusief btw.

2.3.

Tot de gedingstukken behoort een op artikel 7:307 van het Burgerlijk Wetboek gebaseerde “indeplaatsstellingsovereenkomst” van september 2020, waarin is vastgelegd dat de rechten en verplichtingen jegens de verhuurder (belanghebbende) per 1 november 2020 zullen overgaan op een nieuwe huurder. Daarin is tevens opgenomen dat de huur per 1 november 2020 € 25.000 per jaar exclusief btw bedraagt en dat in de eerste huurperiode van 1,5 jaar een huurkorting van (in totaal) € 2.500 wordt verrekend. Deze overeenkomst is ondertekend door belanghebbende, de oude huurder en de nieuwe huurder.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de waarde van de onroerende zaak per de waardepeildatum te hoog is vastgesteld.

3.2.

Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend en bepleit een waarde van € 265.000. De heffingsambtenaar beantwoordt die vraag ontkennend.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing