Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25-06-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4321, 23/229, 23/230 en 23/234

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25-06-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4321, 23/229, 23/230 en 23/234

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25 juni 2024
Datum publicatie
5 juli 2024
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2024:4321
Formele relaties
Zaaknummer
23/229, 23/230 en 23/234
Relevante informatie
Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ

Inhoudsindicatie

Wet Woz. Waardevaststelling woning en bedrijfsruimte. Vergoedingen voor proceskosten, griffierecht en immateriële schade.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 23/229, 23/230 en 23/234

uitspraakdatum: 25 juni 2024

Uitspraak van de vijfde enkelvoudige kamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

en het incidentele hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar)

tegen de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 14 november 2022, nummer AWB 21/1763 en 21/1764, en de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 14 november 2022, nummer 21/1768 in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaken [adres1] 275 te [woonplaats] (hierna: de woning) en [adres2] 102A te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2019, voor het jaar 2020 vastgesteld op € 320.000 respectievelijk € 179.000.

1.2.

Op de bezwaarschriften van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij twee verschillende uitspraken op bezwaar de beschikkingen en de aanslagen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen beide uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft tweemaal een verweerschrift ingediend en tweemaal incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.5.

Belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting een nader stuk ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. D.A.N. Bartels, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam2] en [naam3] , taxateur, en [naam4] .

2 Vaststaande feiten

2.1.

De onroerende zaak aan de [adres1] 275 is een woning. De woning betreft een in 2010 gebouwde Penthouse met een balkon, een parkeerplaats en een berging, gelegen in een woonwijk in [plaats1] . De woning heeft gebruiksoppervlakte van 93 m2.

2.2.

De onroerende zaak aan de [adres2] 102A betreft een bedrijfsruimte, meer specifiek een opslagplaats met bouwjaar 2007 dat is gelegen in [woonplaats] (A2-locatie). Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van deze onroerende zaak. De onroerende zaak heeft een gebruiksoppervlakte van 146 m2 en een kadastraal oppervlakte van 460 m2. In de matrix is de kapitalisatiefactor gesteld op 12,5 en de gemiddelde huurwaarde op € 110/m2.

2.3.

De heffingsambtenaar heeft voor de onroerende zaak [adres2] 102A voor het belastingjaar 2020 en waardepeildatum 1 januari 2019 tweemaal een aanslagbiljet met een WOZ-beschikking uitgedaan. In beide beschikkingen is de waarde vastgesteld op € 179.000. Beide aanslagbiljetten hebben 29 februari 2020 als dagtekening. Op één van beide aanslagbiljetten is eveneens de WOZ-beschikking van de woning aan de [adres1] 275 opgenomen.

2.4.

Belanghebbende heeft tweemaal bezwaar aangetekend tegen deze WOZ-beschikking. De heffingsambtenaar heeft twee afzonderlijke uitspraken of bezwaar gedaan, beide met dagtekening 17 februari 2021 en beide zijn verzonden op 21 februari 2021.

2.5.

Belanghebbende heeft op 2 april 2021 tegen beide uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Het onderzoek ter zitting van de Rechtbank heeft in beide zaken plaatsgevonden op 3 oktober 2022, waarna de Rechtbank op 14 november 2022 twee uitspraken heeft gewezen.

2.6.

Belanghebbende heeft op 30 december 2022 hoger beroep ingesteld tegen beide uitspraken van de Rechtbank. Het onderzoek ter zitting van het Hof heeft, zoals eerder vermeld, plaatsgevonden op 3 april 2024.

3 Geschil

3.1.

In hoger beroep stelt belanghebbende dat de waarde van de onroerende zaken per de waardepeildatum te hoog is vastgesteld, hetgeen de heffingsambtenaar betwist .

3.2.

Verder zijn de door de Rechtbank toegekende vergoedingen voor immateriële schade (hierna: VIS), de proceskostenvergoeding en vergoeding van griffierecht in geschil. De heffingsambtenaar stelt dat geen recht op een VIS bestaat, dan wel (subsidiair) dat de hoogte van de VIS € 50 per (gedeelte van) 6 maanden overschrijding dient te zijn en dat geen recht bestaat op vergoeding van het betaalde griffierecht.

3.3.

Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende zijn algemeen geformuleerde grieven in zijn hogerberoepschrift en de nadere stukken uitdrukkelijk en ondubbelzinnig laten varen en het geschil beperkt tot de ter zitting van het Hof besproken gronden.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing