Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25-06-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4327, 22/1966

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25-06-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4327, 22/1966

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25 juni 2024
Datum publicatie
5 juli 2024
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2024:4327
Formele relaties
Zaaknummer
22/1966
Relevante informatie
Art. 22 Wet WOZ, Art. 40 Wet WOZ, Art. 6:22 Awb, Art. 7:4 Awb, Art. 8:42 Awb

Inhoudsindicatie

Wet Woz. Toezendplicht gegevens.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 22/1966

uitspraakdatum: 25 juni 2024

Uitspraak van de elfde enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 29 juli 2022, nummer UTR 21/4556, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 135 te [woonplaats] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2020, voor het jaar 2021 vastgesteld op € 320.000. Tegelijk met deze beschikking heeft de heffingsambtenaar voor dat jaar aan belanghebbende een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd.

1.2.

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord [naam1] namens belanghebbende, alsmede [naam2] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam3] , taxateur.

2 Vaststaande feiten

2.1.

In het bezwaarschrift en de aanvulling hierop is verzocht om verstrekking van het taxatieverslag, de grondstaffel, de KOUDV- en liggingsfactoren en -correcties, alsmede (de onderbouwing van) de gehanteerde indexering naar de waardepeildatum voor zowel de woning als de gebruikte vergelijkingspanden.

2.2.

De heffingsambtenaar heeft een taxatieverslag beschikbaar gesteld aan belanghebbende. Het taxatieverslag bevat een algemene toelichting op de daarin gehanteerde objectgegevens, waaronder het type woning, de onderdelen, het bouwjaar, de gebruiksoppervlakte en de kaveloppervlakte van de woning en van drie vergelijkingsobjecten. Het taxatieverslag bevat voor de woning en de gehanteerde vergelijkingsobjecten tevens een oordeel over de secundaire objectkernmerken, uitgedrukt in ‘onderhoud’ en ‘voorzieningen’.

2.3.

Aanvullend op het voornoemde taxatieverslag heeft de heffingsambtenaar bij e-mail van 26 mei 2021 een grondstaffel en e-mail van 13 september 2021 het voor het objecttype en waardegebied van de woning gemiddelde indexeringspercentage verstrekt.

2.4.

In het beroepschrift in eerste aanleg voert belanghebbende aan dat de heffingsambtenaar onvoldoende inzicht heeft geboden in de onderbouwing van het indexeringspercentage en de gehanteerde KOUDV- en liggingscorrecties. Tegen de hoogte van de WOZ-waarde heeft belanghebbende aangevoerd dat de door de heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingsobjecten een lagere waarde onderbouwen. Voorts heeft belanghebbende gewezen op vier alternatieve vergelijkingsobjecten die de door hem de bepleite waarde zouden onderbouwen.

2.5.

Op 17 mei 2022 heeft de heffingsambtenaar - ter aanvulling van het verweerschrift in eerste aanleg - een stuk ter onderbouwing van de gehanteerde indexeringspercentages ingebracht. Het betreft een grafische weergave van de marktontwikkeling zoals die volgt uit de permanente marktanalyse (trendobjectwaarde ‘ [plaats1] ’) voor de jaren 2019 en 2020 (hierna: de bolletjesgrafieken). Volgens een mededeling van de heffingsambtenaar zijn de bolletjesgrafieken pas na het indienen van het verweerschrift beschikbaar geworden vanuit de waarderingsapplicatie waarmee wordt gewerkt.

2.6.

Ter zitting van de Rechtbank heeft belanghebbende gesteld dat de heffingsambtenaar met de voornoemde bolletjesgrafieken onvoldoende inzicht heeft gegeven in de gehanteerde indexering. De Rechtbank heeft deze stelling in strijd met de goed procesorde geacht en buiten beschouwing gelaten, nu deze pas voor het eerst ter zitting is ingenomen.

3 Geschil

3.1.

In hoger beroep is in geschil of de heffingsambtenaar artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ en/of de artikelen 7:4, lid 2, en 8:42, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft geschonden. De beroepsgronden tegen de vastgestelde WOZ-waarde heeft belanghebbende ter zitting van het Hof uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken.

3.2.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep en toekenning van een proceskostenvergoeding. De heffingsambtenaar beantwoordt deze vraag ontkennend.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing