Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 09-07-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4607, 22/2278
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 09-07-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4607, 22/2278
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 9 juli 2024
- Datum publicatie
- 19 juli 2024
- Zaaknummer
- 22/2278
- Relevante informatie
- Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 3:2 Awb, Art. 3:46 Awb
Inhoudsindicatie
Wet Woz. Proceskostenvergoeding.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 22/2278
uitspraakdatum: 9 juli 2024
Uitspraak van de tweede enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank) van 3 oktober 2022, nummer AWB 21/1969, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Hellendoorn (hierna: de heffingsambtenaar)
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 46 te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2020, voor het jaar 2021 vastgesteld op € 215.000. Tegelijk met deze beschikking heeft de heffingsambtenaar voor dat jaar aan belanghebbende een aanslag onroerendezaakbelasting (hierna: OZB) opgelegd.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard en de waarde gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord C.M.L. Poen, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar, tevens taxateur.
2 Vaststaande feiten
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak met de volgende objectkenmerken:
|
Type woning |
hoekwoning |
|
Bouwjaar |
1964 |
|
Oppervlakte |
80 m2 |
|
Kavel |
222 m2 |
|
Overig |
Aanbouw 17 m2 Berging 10 m2 Overkapping (2) Dakkapel (1) Carport 13 m2 |
In bezwaar heeft de heffingsambtenaar een taxatieverslag van de onroerende zaak verstrekt. In dit taxatieverslag zijn ter onderbouwing van de vastgestelde waarde drie referentieobjecten opgenomen, met onder meer de volgende kenmerken:
|
Referentieobject |
Type |
Oppervlakte |
Kavel |
Bouwjaar |
|
[adres2] 11 |
Hoek |
80 m2 |
218 m2 |
1955 |
|
[adres2] 15 |
Hoek |
80 m2 |
217 m2 |
1955 |
|
[adres3] 5 |
Hoek |
80 m2 |
213 m2 |
1950 |
Belanghebbende heeft in bezwaar een taxatierapport laten opmaken door taxateurs [naam2] en [naam3] van [naam4] B.V. In dat taxatierapport zijn als referentieobjecten de [adres4] 11 (tweemaal) en de [adres5] 11, beiden te [woonplaats] , opgenomen. Op basis van dat taxatierapport wordt een waarde van de onroerende zaak vastgesteld op € 195.000. Belanghebbende heeft daarnaast verwezen naar de objecten [adres1] 27 en 67, ook te [woonplaats] .
In beroep heeft de heffingsambtenaar een taxatiematrix verstrekt ter onderbouwing van de door hem vastgestelde waarde. Daarbij heeft hij als referentieobjecten de [adres1] 3, 15 en 49, allen te [woonplaats] , opgenomen.
3 Geschil
In geschil is of de heffingsambtenaar er met de wisseling van referentieobjecten in de beroepsfase voor zorgt dat hij het motiveringsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel schendt in de (eerdere) uitspraak op bezwaar, en of aan die wisseling van referentieobjecten consequenties voor wat betreft de proceskostenvergoeding moeten worden verbonden. Belanghebbende beantwoordt beide vragen bevestigend, de heffingsambtenaar ontkennend.