Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 09-07-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4609, 23/327
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 09-07-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4609, 23/327
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 9 juli 2024
- Datum publicatie
- 19 juli 2024
- Zaaknummer
- 23/327
- Relevante informatie
- Art. 22 Wet WOZ, Art. 40 Wet WOZ, Art. 7:4 Awb
Inhoudsindicatie
Wet Woz. Proceskostenvergoeding.
Uitspraak
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/327
uitspraakdatum: 9 juli 2024
Uitspraak van de tweede enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 6 december 2022, nummer AWB 22/1801, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de Gemeente Ede (hierna: de heffingsambtenaar)
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres] 4 te [woonplaats] , per waardepeildatum 1 januari 2020 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2021 vastgesteld op € 221.000. Tegelijk met deze beschikking is de aanslag onroerendezaakbelasting 2021 (OZB) voor zover het betreft het eigenaarsgedeelte vastgesteld op € 218,34.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking en de aanslag OZB gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, maar wel gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 49 aan haar vergoed.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord C.M.L. Poen als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] als gemachtigde van de heffingsambtenaar.
2 Vaststaande feiten
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. Het betreft een in 2003 gebouwd appartement met een oppervlakte van 82 m2 en een berging/schuur van 5 m2 die aan het appartementencomplex waarin belanghebbendes appartement is gevestigd is aangebouwd.
De Rechtbank heeft in haar uitspraak onder meer geoordeeld (waarbij eiser belanghebbende is en verweerder de heffingsambtenaar):
“7. Eiser stelt dat verweerder in de bezwaarfase al is gevraagd om inzicht te geven in de gehanteerde indexeringspercentages en dat verweerder bij het ontbreken van deze informatie de toegepaste indexering niet inzichtelijk heeft gemaakt. De rechtbank stelt vast dat verweerder beschikt over een door hem opgestelde lijst (genaamd bijlage A) waarin de toegepaste indexeringscijfers nader zijn toegelicht. Deze lijst heeft verweerder in de bezwaarfase niet overgelegd. Abusievelijk heeft de rechtbank gesteld dat de betreffende lijst ook in beroep ontbrak. De lijst is evenwel als op de zaak betrekking hebbend stuk in de beroepsfase overgelegd en aan eiser doorgestuurd zodat deze hiervan kennis heeft kunnen nemen.
8. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de in beroep overgelegde waardematrix van de daarin opgenomen vergelijkingsobjecten zowel de transactieprijs als de naar de waardepeildatum geïndexeerde transactieprijs heeft opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met die taxatiematrix voldoende inzichtelijk gemaakt op welke wijze hij de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten heeft geïndexeerd. Daarbij heeft verweerder ter zitting verklaard dat hij gebruik heeft gemaakt van een indexeringspercentage van 7,1% dat is gebaseerd op de waardeontwikkeling die volgt uit verkoopcijfers van dit type woningen in de gemeente Ede. Naar het oordeel van de rechtbank is de toegepaste indexering voldoende onderbouwd, temeer dat het rekening houdt met de stijgende markt in de betreffende periode en ook past in landelijk gepubliceerde gegevens van bijvoorbeeld de waarderingskamer.
9. Daarbij heeft eiser zelf niet op enigerlei wijze onderbouwd dat in deze zaak niet zou mogen worden uitgegaan van de toegepaste indexering en evenmin toegelicht op welke wijze en tot welke hoogte verweerder het indexeringspercentage dan wel had moeten bepalen. In het beroepschrift heeft eiser volstaan met de beroepsgrond dat het indexeringspercentage niet inzichtelijk is gemaakt. Van een professioneel gemachtigde mag verwacht worden dat, indien hij van mening is dat de cijfers in de matrix onjuist zijn, hij stelt en onderbouwt waarom de door verweerder gehanteerde indexering niet juist zou zijn. Nu eiser deze stelling evenwel niet heeft ingenomen, twijfelt de rechtbank niet aan de juistheid van de indexering van verweerder. Daarbij komt dat drie van de vergelijkingsobjecten zijn verkocht in de laatste twee weken van december 2019, waarvan één zelfs één dag voor de waardepeildatum, zodat de verkoopprijzen ook zonder indexering een afspiegeling zijn van de markt op de waardepeildatum.
[…]
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de waarde van de woning en de aanslag in stand blijven. Omdat verweerder in de bezwaarfase de hem ter beschikking staande bijlage A niet heeft overgelegd, zal de rechtbank verweerder wel veroordelen het griffierecht van eiser te vergoeden. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiser geen vergoeding van zijn proceskosten.”
3 Geschil
In geschil is of aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toekomt omdat de heffingsambtenaar aan haar gemachtigde niet de verzochte indexeringscijfers heeft overgelegd. Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend. De heffingsambtenaar beantwoordt de vraag ontkennend.