Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27-08-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5496, 23/279 t/m 23/290
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27-08-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5496, 23/279 t/m 23/290
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 27 augustus 2024
- Datum publicatie
- 6 september 2024
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2023:28, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- 23/279 t/m 23/290
- Relevante informatie
- Art. 22 Wet WOZ, Art. 30a Wet WOZ
Inhoudsindicatie
Wet Woz. Vergoedingen voor proceskosten en immateriële schade.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 23/279 t/m 23/290
uitspraakdatum: 27 augustus 2024
Uitspraak van de eenentwintigste enkelvoudige kamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 5 januari 2023, nummers AWB 21/3444, 21/3447, 21/3451 t/m 21/3455, 21/3457, 21/3465, 21/3467, 21/3468 en 21/3470 in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Ede (hierna: de heffingsambtenaar)
alsmede de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Minister)
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft verenigd in één aanslagbiljet, voor de waardepeildatum 1 januari 2018, de beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) en de daarbij horende aanslagen onroerendezaakbelasting (hierna: OZB), voor onder andere de volgende onroerende zaken vastgesteld:
|
Zaaknummer Hof |
Zaaknummer Rechtbank |
Object |
Beschikte waarde € |
|
20/144 |
[adres1] 5 |
370.000 |
|
|
23/279 |
21/3444 |
[adres2] 54 |
96.000 |
|
23/280 |
21/3447 |
[adres3] 1 |
225.000 |
|
23/281 |
21/3451 |
[adres4] 98 |
244.000 |
|
23/282 |
21/3452 |
[adres5] 51 |
136.000 |
|
23/283 |
21/3453 |
[adres4] 98A |
105.000 |
|
23/284 |
21/3454 |
[adres4] 98B |
87.000 |
|
23/285 |
21/3455 |
[adres4] 98C |
90.000 |
|
23/286 |
21/3457 |
[adres4] 98D |
96.000 |
|
23/287 |
21/3465 |
[adres4] 98E |
61.000 |
|
23/288 |
21/3467 |
[adres4] 98F |
73.000 |
|
23/289 |
21/3468 |
[adres4] 98G |
83.000 |
|
23/290 |
21/3470 |
[adres4] 98H |
82.000 |
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de beschikkingen en de aanslagen gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank.
De Rechtbank heeft op 28 juli 2021 – naar aanleiding van hetgeen ter zitting van 14 juli 2021 is besproken – in het beroep tegen de waarde van het object [adres1] 5 uitspraak gedaan. Voor de beroepen ten aanzien van de overige objecten (zie 1.1.) heeft de Rechtbank twaalf nieuwe dossiers aangemaakt en daarvoor een nadere zitting gepland.
Bij uitspraak van 5 januari 2023 heeft de Rechtbank de beroepen met betrekking tot [adres3] 1 en [adres4] 98A gegrond verklaard, de waarden verlaagd, de aanslagen OZB dienovereenkomstig verminderd en aan belanghebbende een vergoeding van proceskosten (€ 2.266) en griffierecht (€ 96) toegekend. De andere beroepen heeft de Rechtbank ongegrond verklaard. Daarnaast heeft de Rechtbank aanleiding gezien om aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade vanwege een overschrijding van de redelijke termijn toe te kennen, voor 2/3 (€ 367) te betalen door de heffingsambtenaar en 1/3 (€ 133) door de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Minister).
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank van 5 januari 2023 hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben voorafgaand aan de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord [naam1] namens belanghebbende, alsmede [naam2] namens de heffingsambtenaar.
2 Vaststaande feiten
Op het aanslagbiljet, gedagtekend 28 februari 2019, met aanslagbiljetnummer [nummer1] , is de waarde van zestien – waaronder de bij 1.1. genoemde - onroerende zaken vermeld.
Belanghebbende heeft bij brief van 10 april 2019 bezwaar ingediend tegen de WOZ-waarden en de daarmee samenhangende aanslagen, onder verwijzing naar het aanslagbiljetnummer ( [nummer1] ) en een aan het bezwaarschrift gehechte kopie van het aanslagbiljet.
Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 29 november 2019 heeft de heffingsambtenaar – onder verwijzing naar het aanslagbiljetnummer ( [nummer1] ) – de bezwaren ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft de uitspraak per object toegelicht.
Bij brief van 6 januari 2020, door de Rechtbank ontvangen op 9 januari 2020, heeft belanghebbende beroep tegen de uitspraken op bezwaar ingesteld. In het beroepschrift staat vermeld dat het beroep ziet op ‘ [adres1] 5 e.a.’ (Hof lees: ‘en andere’), terwijl eveneens wordt verwezen naar het nummer [nummer1] (zie 2.3.). Als bijlage bij het beroepschrift heeft belanghebbende een kopie van de uitspraak op bezwaar meegezonden.
Bij brief van 13 mei 2020 heeft de Rechtbank belanghebbende geïnformeerd dat een beroep is aangemaakt voor het object [adres1] 5, maar dat in de uitspraak op bezwaar meerdere objecten zijn opgenomen. De Rechtbank verzoekt belanghebbende om aan te geven op welke objecten het beroep betrekking heeft, waarbij zij opmerkt dat bij het uitblijven van een reactie wordt aangenomen dat het beroep op alle objecten in de uitspraak op bezwaar ziet.
Bij uitspraak van 5 januari 2023 heeft de Rechtbank, in verband met een overschrijding van de redelijke termijn, aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade toegekend. De Rechtbank heeft de overschrijding vastgesteld op drie maanden. De periode tussen 9 januari 2020 (datum ontvangst van het beroepschrift) en 14 juli 2021 (datum van de eerste zitting) heeft de Rechtbank voor de vaststelling van de overschrijding buiten beschouwing gelaten. Daartoe heeft de Rechtbank overwogen dat belanghebbende pas op de zitting van 14 juli 2021 voor het eerst zou hebben gesteld dat het beroep ook op de andere objecten dan alleen de [adres1] 5 was gericht, zodat het aan belanghebbende te wijten is dat de Rechtbank niet eerder dan op 14 juli 2021 op de hoogte was van de omvang van het beroep.
3 Geschil
In hoger beroep is uitsluitend in geschil of de Rechtbank de juiste bedragen aan proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade, vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, aan belanghebbende heeft toegekend. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend, de heffingsambtenaar bevestigend.
Alle overige hogerberoepsgronden heeft belanghebbende ter zitting van het Hof uitdrukkelijk ingetrokken.