Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17-09-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5938, 23/1471 t/m 23/1473
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17-09-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5938, 23/1471 t/m 23/1473
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 17 september 2024
- Datum publicatie
- 25 september 2024
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2023:1804, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 23/1471 t/m 23/1473
- Relevante informatie
- Art. 8:42 Awb, Art. 17 WOZ
Inhoudsindicatie
Wet Woz. Waardevaststelling winkelpanden.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 23/1471 tot en met 23/1473
uitspraakdatum: 17 september 2024
Uitspraak van de zeventiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
en het incidentele hoger beroep van
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht te Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar)
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 17 april 2023, nummers UTR 21/2222, UTR 21/2223 en UTR 21/2224, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar
alsmede de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat)
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 75 A te [woonplaats] , per waardepeildatum 1 januari 2019, voor het jaar 2020 vastgesteld op € 548.000. Tegelijk met deze beschikking heeft de heffingsambtenaar voor dat jaar aan belanghebbende een aanslag onroerendezaakbelasting (hierna: OZB) opgelegd.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet WOZ de waarde van de onroerende zaak [adres1] 77 B te [woonplaats] , per waardepeildatum 1 januari 2019, voor het jaar 2020 vastgesteld op € 174.000. Tegelijk met deze beschikking heeft de heffingsambtenaar voor dat jaar aan belanghebbende aanslagen OZB en Watersysteemheffing opgelegd.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet WOZ de waarde van de onroerende zaak [adres1] 79 A te [woonplaats] , per waardepeildatum 1 januari 2019, voor het jaar 2020 vastgesteld op € 172.000. Tegelijk met deze beschikking heeft de heffingsambtenaar voor dat jaar aan belanghebbende aanslagen OZB en Watersysteemheffing opgelegd.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de waarde van de onroerende zaak [adres1] 75 A te [woonplaats] verminderd tot € 365.000, de met betrekking tot deze onroerende zaak opgelegde aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd en de overige beschikkingen en aanslagen gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en wegens overschrijding van de redelijke termijn de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade (€ 417), proceskosten (€ 837) en griffierecht (€ 49), en de Staat (de Minister voor Rechtsbescherming) veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade (€ 583).
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend en daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft het incidentele hoger beroep beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. D.A.N. Bartels, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door taxateur [naam2] .
2 Vaststaande feiten
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaken. Het betreffen alle omstreeks 1936 gebouwde winkelpanden met een verhuurbaar vloeroppervlak van respectievelijk 256 m2 ( [adres1] 75 A), 120 m2 ( [adres1] 77 B) en 119 m2 ( [adres1] 79 A).
3 Geschil
In hoger beroep is in geschil of de waarde van de onroerende zaken [adres1] 77 B en [adres1] 79 A per de waardepeildatum te hoog is vastgesteld. De waarde van de onroerende zaak [adres1] 75 A is niet langer in geschil. Verder zijn de door de Rechtbank toegekende vergoedingen voor immateriële schade en proceskosten in geschil.
Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende zijn algemeen geformuleerde grieven in zijn hogerberoepschrift en nadere stukken uitdrukkelijk en ondubbelzinnig laten varen en het geschil beperkt tot de door de heffingsambtenaar gehanteerde kapitalisatiefactor. De heffingsambtenaar heeft ter zitting van het Hof zijn standpunten dat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens misbruik van recht, dat belanghebbende geen recht heeft op een vergoeding van schade omdat belanghebbende niet persoonlijk wordt gecompenseerd en dus geen sprake is van spanning en frustratie, dat belanghebbende dient te worden veroordeeld in de proceskosten van de heffingsambtenaar omdat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht, en dat ten onrechte griffierecht is vergoed, uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken.