Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15-10-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6433, 23/2342 t/m 23/2345
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15-10-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6433, 23/2342 t/m 23/2345
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 15 oktober 2024
- Datum publicatie
- 25 oktober 2024
- Zaaknummer
- 23/2342 t/m 23/2345
- Relevante informatie
- Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 30a Wet WOZ
Inhoudsindicatie
Wet Woz. Waardevaststelling bedrijfspanden.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 23/2342 tot en met 23/2345
uitspraakdatum: 15 oktober 2024
Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 21 juni 2023, nummers UTR 22/814 tot en met UTR 22/817 in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Hilversum (hierna: de heffingsambtenaar)
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij in één biljet verenigde beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken de waarde van de onroerende zaken aan de [adres1] nummers 40, 40A, 40C en 40D, alle te [woonplaats] , per waardepeildatum 1 januari 2020, voor het jaar 2021 vastgesteld op respectievelijk € 473.000, € 263.000, € 356.000 en € 322.000. Daarbij zijn voorts aanslagen in de onroerendezaakbelasting aan belanghebbende opgelegd.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de beschikkingen en aanslagen gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen die uitspraken beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord: mr. D.A.N. Bartels als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar.
2 Vaststaande feiten
Belanghebbende is eigenaar van de in onderdeel 1.1 genoemde onroerende zaken. De objecten betreffen bedrijfspanden.
Het bezwaar tegen de beschikkingen en aanslagen is door belanghebbende op 12 maart 2021 ingediend. Bij uitspraken op bezwaar van 23 december 2021 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 juni 2023 heeft de Rechtbank het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (hierna: VIS) afgewezen.
3 Geschil
In hoger beroep is in geschil of de waarden van de onderhavige objecten per waardepeildatum 1 januari 2020 te hoog zijn vastgesteld. Voorts is in geschil of de Rechtbank terecht het verzoek om toekenning van een VIS heeft afgewezen. Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag bevestigend en de tweede vraag ontkennend. De heffingsambtenaar beantwoordt de vragen in tegengestelde zin. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende de zaak met nummer 23/2341 betreffende de WOZ-beschikking voor de woning aan de [adres2] 316 te [woonplaats] uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken.