Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15-10-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6436, 23/2874
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15-10-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6436, 23/2874
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 15 oktober 2024
- Datum publicatie
- 25 oktober 2024
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2023:5077, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- 23/2874
- Relevante informatie
- Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ
Inhoudsindicatie
Wet Woz. Waardevaststelling woning.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/2874
uitspraakdatum: 15 oktober 2024
Uitspraak van de drieëntwintigste enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 27 september 2023, nummer UTR 22/4638, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Eemnes (hierna: de heffingsambtenaar)
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 36 (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2021, voor het jaar 2022 vastgesteld op € 498.000. Tegelijk met deze beschikking heeft de heffingsambtenaar voor dat jaar aan belanghebbende een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd.
Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de waarde verminderd tot € 457.500 en de aanslag dienovereenkomstig verminderd. Aan belanghebbende is een vergoeding van griffierecht en proceskosten toegekend.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord A. Oosters, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar.
2 Vaststaande feiten
De woning is een vrijstaande woning die is gebouwd in 1827 met een vrijstaande garage van 17 m². De oppervlakte van de begane grond van de woning is ongeveer 65 m². Op de eerste verdieping bevindt zich een zolder met een oppervlakte van ongeveer 11 m². Bij de woning hoort een perceel van ongeveer 295 m².
3 Geschil
In hoger beroep is in geschil of de waarde van de woning per de waardepeildatum, na vermindering in beroep tot € 457.500, te hoog is vastgesteld.
Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend en bepleit een waarde van € 426.000. De heffingsambtenaar beantwoordt die vraag ontkennend en stelt zich op het standpunt, onder verwijzing naar het in beroep overgelegde taxatierapport van [naam2] van 14 maart 2023, dat de door de Rechtbank vastgestelde waarde eerder te laag dan te hoog is.
Daarnaast is in geschil de hoogte van proceskostenvergoeding. Volgens belanghebbende heeft de Rechtbank de zaak ten onrechte als "licht" aangemerkt en had daarentegen een factor 1 moeten worden toegepast omdat sprake is van een zaak van gemiddeld gewicht.