Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22-10-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6547, 23/1180
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22-10-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6547, 23/1180
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 22 oktober 2024
- Datum publicatie
- 1 november 2024
- Zaaknummer
- 23/1180
- Relevante informatie
- Art. 16 Wet WOZ, Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 8:42 Awb
Inhoudsindicatie
Wet Woz. Waardevaststelling woning.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/1180
uitspraakdatum: 22 oktober 2024
Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 14 maart 2023, nummer AWB 22/1891, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Winterswijk (hierna: de heffingsambtenaar)
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres] 35 te [woonplaats] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2020, voor het jaar 2021 vastgesteld op € 135.000. Tegelijk met deze beschikking heeft de heffingsambtenaar voor dat jaar aan belanghebbende een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft digitaal plaatsgevonden op 19 september 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord: mr. A. Bakker, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] (taxateur) namens de heffingsambtenaar.
2 Vaststaande feiten
Belanghebbende is eigenaar van de woning. De woning betreft een in 1926 gebouwde hoekwoning met een vrijstaande berging/schuur gemaakt van hout, een overkapping en een dakkapel. De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 93 m2 en een kaveloppervlakte van 195 m2. Naast de woning is een zogenoemde brandgang gelegen die tot een grootte van 25 m2 bij het kadastrale perceel van de woning behoort. De brandgang is afgescheiden van de woning en de tuin door middel van een lage stenen afscheiding in de voortuin, de zijmuur van de woning en een schutting in de achtertuin.
De heffingsambtenaar heeft de voor de woning vastgestelde waarde van € 135.000 onderbouwd met een taxatiematrix. In die matrix is de heffingsambtenaar onder meer ervan uitgegaan dat de brandgang onderdeel is van de onroerende zaak. Verder is in de matrix de waarde van de onroerende zaak bepaald aan de hand van vier vergelijkingsobjecten die ook een brandgang hebben. Referentieobject 1 heeft een brandgang van 19 m2 en referentieobjecten 2, 3 en 4 hebben ieder een brandgang van 18 m2. In de matrix is bij de woning van belanghebbende rekening gehouden met een correctie van € 1.181 (6,75 m2 x € 174,98) vanwege de omstandigheid dat de brandgang van de woning groter is dan die van de referentieobjecten.
3 Geschil
In hoger beroep is in geschil of de heffingsambtenaar alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de heffingsambtenaar bevestigend.
Daarnaast is in geschil of de door de heffingsambtenaar toegepaste objectafbakening juist is. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend en de heffingsambtenaar bevestigend.
Verder is in geschil of de waarde van de woning per de waardepeildatum te hoog is vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend en bepleit een waarde van € 123.000. De heffingsambtenaar beantwoordt die vraag ontkennend.